Login

De Gebroken Kolom

Verzamelpunt voor bouwstukken

Persoonlijkheid

 

Auteur: Piet Romeijn,

Datum: 1998
 
De vele theorieën van de persoonlijkheid kijken naar dingen zoals
• de structuur van de persoonlijkheid
• de psychologische processen in de persoon
• de interacties tussen de persoon en zijn omgeving
• de ontwikkeling van de persoonlijkheid
• pathologische aspecten van de gestoorde persoonlijkheid.
 
Een mer à boire. Dus ik maak arbitraire keuzen. Pathologie en therapieën laat ik er buiten. Van de vele denkscholen noem ik er twee die min of meer tegengesteld zijn:
 
• de psychoanalytische-psychodynamische benadering. Aanvankelijk gebaseerd op Freud. Een van de uitgangspunten daarvan is dat de fundamentele structuur van de persoonlijkheid bepaald wordt gedurende de eerste levensjaren, en de hele rest van het leven werkzaam blijft in de persoon’s kijk op zichzelf, op anderen en op de wereld om hem heen. De sterke nadruk op het onbewuste en de seksuele driften van Freud is later afgezwakt door figuren als Jung, Adler, Fromm en vele anderen, die er onder andere ook maatschappelijke en interpersoonlijke krachten en drijfveren bij haalden.
 
• De existentieel-humanistische benadering ontwikkelde zich deels als reactie op wat gezien werd als overdreven nadruk op het biologische, het destructieve en het onbewuste bij de psychoanalytici. Men ging meer nadruk leggen op de groei en de zelfverwezenlijking van de persoon, en de manier waarop de persoon bewust de dingen ervaart. Vooral het concept van het Zelf speelt er een gewichtige rol in. En de praktische training ervan b.v. door sensitivity trainingen. De wortels van deze school liggen in Europa, in de VS zijn Rogers en Maslow aanhangers.
 
Ikzelf vind dat deze twee benaderingen elkaar niet uitsluiten maar aanvullen, maar ik heb gemerkt dat de aanhangers van de richtingen elkaar graag verketteren.
 
Viktor Frankl, de directe aanleiding tot mijn verhaal, hoort bij de psychoanalytische school. Hij wordt wel de derde Weense school daarvan genoemd, na Freud als eerste en Adler als tweede. Ik heb gekozen om in te gaan op Alfred Adler. Van Freud is voldoende bekend denk ik, en Frankl zie ik voornamelijk genoemd als ontwikkelaar van een bepaalde therapie, de logotherapie. Adler daarentegen wordt (althans in Amerikaanse bronnen) gezien als veel méér dan alleen maar uitvinder van de zoveelste psychotherapie. Zijn theorie schijnt aan een soort renaissance bezig te zijn, in ieder geval in de VS. Ik geef een citaat :
 
“De naoorlogse paradigmaverschuivingen en het intellectuele klimaat van de jaren 90 zouden best de tijd rijp kunnen maken voor een herontdekking van Adler’s bijdragen aan het beter begrijpen van mensen en hun relaties met de wereld. Adler leverde immers een holistische, geïntegreerde theorie van de menselijke natuur, een theorie van psychopathologie, een set principes en technieken van psychotherapie, een wereldbeeld, en een levensfilosofie. “
 
Een andere schrijver, die nog bij Adler gestudeerd had, noemde Adler’s werk in de jaren vijftig al ‘filosofische antropologie’. Weer anderen vinden dat Adler’s denkwerk aanknopingspunten biedt voor de hedendaagse zorgelijke spanning tussen individualisme en gemeenschapszin.
 
Alfred Adler leefde van 1870 tot 1937. Hij was een Oostenrijkse arts en psycholoog. Schepper van een maatschappelijk georiënteerde persoonlijkheidstheorie, de zg. Individualpsychologie. Volgens die theorie worden mensen niet geleid door onbewuste instincten, maar door waarden en doelen, en die kunnen zowel bewust als onbewust werkzaam zijn. In het Engels wordt heel illustratief gesproken van ‘push’ en ‘pull’ theorieën. In de Freud-theorie wordt de mens gepushed (door driften), in die van Adler wordt de mens gepulled (door waarden en doeleinden)
 
Theorie van Adler:
 
Twee centrale elementen in de theorie van Adler zijn ‘gemeenschapsgevoel’ en de ‘eenheid van de persoonlijkheid’. Gemeenschapsgevoel (Feeling of Community, Gemeinschaftsgefühl) is de mens in potentie aangeboren, maar het moet wel bewust ontwikkeld worden. Als dat lukt heeft de mens het gevoel dat hij deel van de mensheid is, kan hij in empathie met zijn medemensen omgaan en is hij in staat het goede en het slechte van het leven beide te aanvaarden. Hij herkent dan de interdependentie tussen mensen, het feit dat het welzijn van ieder individu afhangt van het welzijn van iedereen. (Uit de biologie de ‘wederzijdse consistentie’) Al die gedachten en ideeën samen motiveren tot zelfontwikkeling en coöperatief gedrag.
 
Met ‘eenheid van persoonlijkheid’ wordt bedoeld dat Adler de mens als een ondeelbare eenheid ziet, een systeem waarvan bovendien het geheel meer is dan de som van de delen. Hij gelooft niet, zoals Freud, dat een deel van de persoon met een ander deel in conflict kan zijn, b.v. het onbewuste tegen het bewuste. Volgens Adler wijzen alle gedachten, gevoelens, handelingen, dromen, herinneringen e.d. in dezelfde richting.
 
De theoretische begrippen krijgen wat inhoud als je ze plaatst in de ontwikkeling van de persoon zoals Adler die ziet. Die gaat niet vanzelf: Ontwikkeling is een actief en creatief proces. Van jongs af aan geeft de persoon betekenis aan wat hij in zijn leven ervaart, en uit dat ruwe materiaal wordt zijn of haar werkelijkheid geconstrueerd. Niet objectief, maar subjectief, dus bij de ene mens altijd nét een beetje anders dan bij de andere. De persoon is een bouwer en vertolker (subject) en niet een product van erfelijkheid of omgeving (object). Hij heeft zeggenschap over zijn leven.
 
Jonge kinderen worden zich al vroeg bewust dat ze bepaalde dingen niet kunnen of kennen. Adler noemt dat minderwaardigheidsgevoelens, volstrekt normale reacties. Die gevoelens zijn en blijven drijfveer om te komen van een ‘minus-situatie’ tot een ‘plus-situatie’ (Adler’s terminologie). Die levenslange wens tot ontplooien, streven, bereiken noemt Adler de ‘scheppende kracht’ van het leven. Mislukkingen compenseren met successen op ander gebied hoort daar ook bij. Net als Freud vindt ook Adler de opvoeding in de eerste levensjaren kritisch. Hij heeft in Oostenrijk ooit opvoedingsinstituten voor jonge kinderen gesticht.
 
Die scheppende kracht is teleologisch, d.w.z. gericht op wat Adler een ‘fictief einddoel’ noemt, een verbeelde ideale toestand van volmaaktheid, overwinning, superioriteit of iets dergelijks. Meestal is de persoon zich van dat doel niet of nauwelijks bewust. Normaliter leveren de niet-pathologische minderwaardigheidsgevoelens de stuwkracht. Hoe dieper die gevoelens zijn, hoe hoger meestal het einddoel. En erfelijke en culturele factoren spelen natuurlijk ook een rol. Maar als die minderwaardigheidsgevoelens excessief worden, dan kan het fout gaan, b.v. extreme einddoelen, streven naar superioriteit over mensen in plaats van over problemen, extreme compensatiemechanismen, enz.. Dat fictieve einddoel kan tijdens het leven veranderen, maar blijft dan toch gekleurd door de fundamenten uit de kinderjaren.
 
Adler noemde de manier waarop een persoon het leven benadert, compleet met al de bewuste en onbewuste waarden, ideeën en einddoelen van die persoon, diens ‘levensstijl’ In die levensstijl benadert (of ontwijkt) de persoon de drie hoofdtaken van zijn leven: werk, gemeenschap, en liefde en seks. Mentaal gezonde personen doen dat flexibel, vinden zo nodig meerdere wegen die naar Rome leiden. Gestoorde personen zijn minder flexibel, voor hen is het vaak één weg of geen.
 
Adler verwerpt iedere indeling van mensen in typen, maar als illustratie van wat hij bedoelt met die levensstijlen, schetst hij er vier, drie negatieve en één positieve:
 
• de ‘ruling types’ streven naar macht over andere mensen. Het hoeven niet persé nare mensen te zijn. Velen leveren grote prestaties. Ze bereiken veel. Ze laten graag hun prestaties aan anderen weten, soms op een onaangename manier. Adler noemde dat laatste verschijnsel ‘depreciation complex’, vrij vertaald: het ‘afkatten-complex’
• de ‘getting types’ zijn afhankelijk van anderen en staan passief tegenover het leven. Ouders die hun kinderen te veel verwennen, werken zo’n levensstijl in de hand.
• de ‘avoiding types’ proberen levensproblemen te omzeilen, om nederlagen te voorkomen. Ze worden vaak als ‘koud’ gezien, en ze zonderen zich vaak af. Gewoonlijk maskeert deze levensstijl een superioriteitsgevoel, zij het breekbaar.
• de vierde, gezonde levensstijl is het maatschappelijk nuttige type. Ze geloven in goed doen t.b.v. de samenleving. Ze geloven dat ze macht over hun leven hebben. Adler schreef hierover "..... deze levensstijl moet geoefend worden, en dat kan alleen als men opgroeit in verbondenheid met anderen en zich deel van een geheel voelt. Men moet zich bewust worden dat niet alleen het prettige van het leven je toebehoort, maar ook het niet-prettige.”
 
Wat hier als ‘gezond’ wordt beschreven is bedoeld als een soort ideaaltype. Het is niet hetzelfde als wat in het dagelijks leven ‘normaal’ of ‘gemiddeld’ wordt genoemd. De meeste mensen leven volgens Adler redelijk coöperatief, maar ze doen maar krap genoeg aan de thema’s werk en/of gemeenschap. Ze vermijden graag diepgaande verplichtingen en gevoelens. Kortom, ze functioneren niet met hun volle potentieel. Ze raken gauw wat verveeld, en ze voelen ‘stress’ zonder duidelijke psychische of fysieke problemen. Maar bij moeilijke uitdagingen van het leven hebben ze niet altijd adequaat gedrag beschikbaar, en ze ervaren dan een schok die wel degelijk symptomen oproept. B.v. bij ontslag, ziekte, huwelijk, scheiding, pensionering e.d.
 
Biografie van Adler:
 
Hij was de zoon van een Oostenrijkse graanhandelaar. Derde kind uit zes. Zwakke gezondheid. Een Duits document noemde dat ‘Organminderwertigkeit’. Leermoeilijkheden op school. Ervoer al vroeg die minderwaardigheidsgevoelens uit zijn latere theorie. Studeerde af in medicijnen in 1895. Hoorde een aantal jaren bij de intieme kring rond Freud. Zijn eerste hoofdwerk in 1912 heette ‘Ueber den nervösen Charakter.’ Dat boek was eerder opvolger van Nietzsche dan van Freud, omdat hij toen nog het streven naar macht in het centrum van de psychopathologie plaatste. In plaats van de wil-tot-lust van Freud sprak hij toen van een ‘Selbstwertstreben’, dat onder invloed van angst en minderwaardigheidsgevoelens tot machtsstreven leidde. In de decennia erna verdiepte en veranderde zijn denken. Omdat ook zijn terminologie daardoor wijzigde, is er vaak spraakverwarring en moeizame exegese. Het ‘Gemeinschaftsgefühl’ schoof geleidelijk naar een centrale plaats, mooi geïllustreerd door de vele verschillende Engelse vertalingen: social interest, social feeling, community feeling, social sense, enz. In de jaren 20 werkte en doceerde hij al veel in de VS, en in 1930 verhuisde hij daarheen. Hij was toen al erkend voorman op het gebied van de kinderpsychologie en de psychologie van de intermenselijke relaties. Hij stierf in Schotland, tijdens een Europese tournee, in 1937, 67 jaar oud.
 
Andere figuren:
 
De vorige keer had ik over de wil-tot-lust (van Freud), de wil-tot-macht (van Adler) en de wil-tot-betekenis (van Frankl) als prominente drijfveren van menselijk gedrag. Het is mij duidelijk geworden, dat zo’n gezegde best leuk klinkt, maar niet meer klopt met de feiten. Want bij Adler was al voor de Eerste Wereldoorlog de wil-tot-macht van de eerste plaats verdwenen.
Van Freud hoef ik niet zo veel te zeggen. Ik heb gemerkt dat hij de laatste tijd vaak verguisd wordt, meestal met het argument dat hij veel te eenzijdig was met zijn nadruk op seksualiteit. Maar ik ben het eens met wat ik ergens las, dat zijn impact op de moderne wereld niet minder is dan b.v. Marx, Einstein of Picasso. Zijn verdienste is dat hij aan de psychiatrie naast de biologische basis ook een psychologische therapie leverde. En de machtige invloed van het onbewuste op het bewuste zijn door hem een deel van onze cultuur geworden. Ook voor fervente anti-Freudianen.
 
Van Adler sluit ik niet uit dat zijn gedachtengoed erkend en aanvaard gaat worden als een levensfilosofie. Het zou best waar kunnen zijn wat ik tegenkwam in mijn zoekpartij dat de erkenning van Adler’s werk te lijden heeft gehad onder de levenslange afbrekende kritiek van Freud, die juist in die tijd (20er en 30er jaren) een autoriteit in de wereld was. Adler stierf in 1937, Freud in 1939. En in de tweede plaats doordat de theorie van Adler een moeizaam en langdurig groeiproces heeft doorgemaakt. Dat in de VS meer belichting en weerklank heeft gekregen dan in Europa. Iedere grote stad in de VS lijkt een Alfred Adler instituut te hebben. Meerdere bronnen menen dat Adler’s werk kan helpen bij het probleem van de gegroeide spanningen tussen individu en gemeenschap.
 
Viktor Frankl bouwde voort op het werk van Freud en Adler. Hij is het meest van deze tijd. Hij stierf in september 1997, op 92-jarige leeftijd. Hij trok mijn aandacht door zijn boek De zin van het bestaan , dat hij in 1946 schreef na jaren van gevangenschap in Dachau en Auschwitz. Het verbaast mij niet dat het in 23 talen vertaald is en een oplaag van ten minste 9 miljoen stuks kent. Het is een kort, objectief maar aangrijpend autobiografisch verslag van zijn ervaringen als kampgevangene in de Nazitijd, doorspekt met conclusies t.a.v. existentievragen die zijn observaties hem opleverden. Eén van die conclusies was b.v. dat de mens onder alle omstandigheden een hoeveelheid geestelijke vrijheid kan behouden. Citaat “Wij, gewezen kampbewoners, zijn de gevangenen niet vergeten die door de barakken liepen om anderen op te beuren en te troosten. Hun aantal was wellicht klein, maar ze hebben bewezen dat de allerlaatste menselijke vrijheid de mens niet kan worden ontnomen, de keuze om onder alle omstandigheden zijn eigen houding te bepalen, zijn eigen weg te kiezen.
 
Hij merkte dat je de innerlijke kracht van een kampbewoner alleen maar kon vergroten als je hem in een toekomstdoel kon doen geloven, een reden, hoe triviaal ook, om er straks nog te willen zijn. Gedachtig aan Nietzsche's woorden "Hij die een reden tot leven heeft, kan vrijwel alle levensomstandigheden verduren" Een gevangene die niet langer in de toekomst, zijn toekomst, geloofde, verloor zijn geestelijke houvast, en was ten dode opgeschreven.
 
Gesprekken met wanhopige gevangenen over de zin of zinloosheid van het leven leerden hem dat het het er weinig toe doet wat wij van het leven verwachten, maar wel wat het leven van ons verwacht. Wij maken het leven niet, het leven vraagt ons. Leven betekent in feite verantwoording nemen voor de juiste oplossingen van onze levensproblemen en om de taken te vervullen waarvoor het leven ons voortdurend stelt. Zijn kampervaringen werden de basis van zijn logotherapie.
 
Dat voorvoegsel ‘logo’ heeft niets te maken met logopedie of iets dergelijks, maar met het Griekse woord logos. De theorie die er aan ten grondslag ligt, lijkt veel op het eindproduct van Adler. De verschillen lijken mij in nuances en accenten te zitten. Voor Frankl is zingeving de primaire drijfveer van een mens, vandaar die uitdrukking wil-tot-betekenis. Betekenis niet te verstaan als ‘iets betekenen voor een ander’, maar als het geven van zin aan je eigen leven. ‘Meaning’, ‘significance’, ‘Wille zum Sinn’. Het is ook een pull-theory. Mensen worden niet gedreven tot moreel gedrag, maar getrokken. En ze hebben de vrijheid om er ja of nee tegen te zeggen. Een persoon is niet speelbal van driften of factoren buiten hemzelf, maar hij kiest zelf. En voor die keuze is hij zelf verantwoordelijk. En het is zijn zaak of dat is aan zijn geweten, aan een geliefde, aan zijn God of wie of wat dan ook. De therapeut helpt zoeken, maar biedt zelf geen levenszin aan. (Op U komt het aan). Dat zoveel mensen tegenwoordig een gevoel van zinloosheid van hun bestaan hebben, noemt hij het existentiële vacuum van de 20e eeuw. Zijn denkwerk daarover lijkt veel op het denkwerk van Fromm.
 
Frankl vindt dat de ware zin van het leven eerder moet worden gezocht in de wereld dan in de mens zelf of zijn psyche. Het wezenlijke doel van het menselijk bestaan is volgens hem niet zelfverwerkelijking, maar zelf-transcendentie (zich richten op iets buiten jezelf, afstand nemen t.o.v. jezelf). Dat is dus een verschil met de theorie van Maslow uit de humanistische psychologie.
 
Een kenmerkend verschil met andere psychologische benaderingen is dat die vaak beginnen met vragen als ‘Wat wil ik van het leven?’ of ‘Waarom ben ik ongelukkig?’ Frankl vraagt ‘Wat vraagt het leven op dit moment van mij?’. Die benadering spreekt mij sterk aan en in mijn gevoel komt die heel dicht bij wat Fromm aan het eind van een stapel boeken zegt ‘De zin van het leven is het leven zelf’. Dat klinkt misschien als een dooddoener, maar is het niet.
 
Maar ook de theorie van Adler spreekt mij wel aan. Het is één manier om naar zo iets ingewikkelds te kijken als een menselijk persoon, en natuurlijk niet de enige. Het enige wat ik niet kan invoelen uit zijn theorie is hoe dat ‘gemeenschapsgevoel’ van hem ook bron zou kunnen zijn om naast de aangename kanten van het leven ook de narigheden te aanvaarden.


 


Voor het onderhoud van deze website zijn wij afhankelijk van donaties. Klik hier voor meer informatie