Login

De Gebroken Kolom

Verzamelpunt voor bouwstukken

Het verloren millennium

 

 

Het Verloren Millennium
Piet Romeijn, april 1999
 
Mijn verhaal lijkt het meest op een geschiedenis van de westerse ideeën gedurende het tweede millennium. Ik heb veel weggelaten, vooral veel historie. Het verhaal is niet chronologisch, want vele veranderingsprocessen overlappen elkaar.
 
Rond het jaar 1000 was de toestand in Europa redelijk stabiel. Er heerste een volmaakte orde met een ijzeren hiërarchie. Ongelijkheid werd als een vanzelfsprekende zaak gezien. De samenleving was verdeeld in een paar procent biddende stand, een paar procent vechtende stand, en de hele rest was de werkende stand. En die had het niet best.
 
In hedendaagse ogen was het beslist geen aantrekkelijke wereld, maar voor de middeleeuwer was het de beste van alle werelden omdat God die zo geschapen had. Hongersnoden, ziekten, onvrijheid, bloedige onderdrukkingen van opstanden e.d. deden daar niets aan af. (207). Alles was onveranderlijk, helemaal conform de visie van de kerkvader Augustinus dat alles bij het oude zou blijven tot de wederkomst van Christus. Proberen iets te verbeteren of te vervolmaken was hoogmoed of godslastering.
 
Romantici hebben wel eens heimwee naar de ‘prachtige middeleeuwse synthese’, maar het was helemaal geen synthese. Het was niet meer dan een verzoening van eeuwenlang gegroeide tegenstellingen en contrasten, b.v. tussen het wereldlijke en het geestelijke, tussen filosofie en theologie, tussen geloven en weten, tussen Plato en Aristoteles, tussen open en gesloten christendom, tussen de Romaanse en de Germaanse cultuur, en nog veel meer.
 
De eerste die die verzoening superieur verwoordde was Thomas van Aquino, 13e eeuw. Hij trok de scheidslijn tussen geloof en kennis, met het geloof als heer en kennis als knecht. Je moest dus éérst geloven, dan pas proberen al het andere te kennen.
 
Dat Europa niet terugviel tot opnieuw een zootje barbaarse volksstammen zoals vijf eeuwen terug, was te danken aan twee dingen: (1) de verenigende krachten van de kerk en (2) de herinnering aan het Romeinse Rijk. De krachten van de kerk leverden een christelijke cultuur zoals die ervóór of erna nooit bestaan heeft, en de herinnering aan het oude Rome leverde de droom om het Romaanse en het Germaanse, het geestelijke en het tijdelijke, te verzoenen in de eenheid van het Heilige Roomse Rijk. Keizer Karel de Grote was de eerste die dat probeerde, zonder succes. Het is ook later nooit meer gelukt.
 
De pauselijke oproep tot kruistocht in 1095 betekende voor het eerst systematisch geweld met de zegen van het christendom. In het Heilige Land werd het nooit meer dan een feodaal veroveringsavontuur. In Europa was het startschot voor bloedige vervolgingen van de moslims in Spanje, de heidenen in Pruisen, de ketters in Frankrijk en Joegoslavië, en de joden in héél Europa. We zullen nooit weten wat er zonder deze kerkelijke aansporing terecht zou zijn gekomen van de unieke samenwerking van christelijke, joodse en islamitische culturen in Spanje en op Sicilië.
 
De pestepidemieën vanaf het rampjaar 1348 waren de grootste collectieve tragedie van het millennium. Het middeleeuwse wereldbeeld ging aan stukken. Men dacht dat de wereld aan het vergaan was. De theologie van Thomas werd niet langer vertrouwd. Er kwam veel mystiek. Boeteprocessies. Slachtpartijen van zondebokken, weer joden, maar ook tovenaars en heksen. Er ontstond een heel nieuw Europa. De breuklijn is niet precies te trekken, maar vast staat dat Thomas zijn Summa Theologica na 1348 niet meer geschreven zou kunnen hebben, en — omgekeerd — dat De Vorst van Machiavelli niet vóór 1348 geschreven zou kunnen zijn.
 
Europa was nog een feodale lappendeken. Macht was macht van personen, in stand gehouden met het feodale stelsel en volgens het recht van de sterkste. Pausen en keizers duelleerden om elkaars macht. De tegenspraak tussen geloof en rede werd steeds openlijker en explicieter. Het denken erover was al vóór de pestepidemie begonnen, o.a. door Willem van Ockham, begin 14e eeuw. (1290-1349). Die stelde toen al dat de wetgevende macht aan het volk toekomt, ook in de kerk. En hij had het al over burgerlijke vrijheden, die ‘God én de natuur’ aan de burgers hadden geschonken, en die de paus diende te respecteren. Die toevoeging ‘en de natuur’ was een voor die tijd radicale secularisatie. Ockham werd natuurlijk prompt door de paus geëxcommuniceerd. (208)
 
Zoals Ockham filosofie en wetenschap seculariseerde, zo seculariseerde Machiavelli (1469-1527) een eeuw later het politieke denken. Hij ontdeed de politiek van alle religieuze associaties. En doordat hij aan de politiek ‘een doel in zichzelf’ gaf, namelijk verovering en behoud van macht, was hij tevens wegbereider voor de later komende absolute monarchieën.
 
Met de renaissance begon wat Heirman de moderniteit noemt, het geheel van veranderingen en vernieuwingen, geestelijk en materieel, dat tot de wereld van vandaag heeft geleid. Openheid kwam in de plaats van geslotenheid, verdraagzaamheid in plaats van fanatisme, zin voor hervorming, voorzichtige kritiek. De eerste humanisten signaleerden de gebreken van de heersende cultuur, gaven soms al een schets van waar het heen moest, maar ze vonden het niet, omdat ze hun oplossingen in het verleden zochten.
 
Een voorbeeld van zo’n schets was het boek Utopia van Thomas More, 16e eeuw. (1478-1535). Hij eiste daarin een samenleving van absolute gelijkheid, zijns inziens de enige basis voor de waardigheid van de mens. Hij werd onthoofd door koning Hendrik VIII.
 
Er ontstond een heel nieuw besef van tijd en ruimte. De klokken gingen ook de kwartieren slaan. De klok werd de moeder van alle machines, werd zelfs metafoor voor het hele universum, met God als de grote klokkenmaker. Descartes o.a., 17e eeuw, (1596-1650) gebruikte die metafoor toen hij stof en geest scheidde. De natuurwetenschappen keken naar de stof, de filosofie en theologie naar de geest. (207).
 
De roep om hervorming was luid en duidelijk, maar de kerk kon of wilde geen adequaat antwoord geven. Nadat Luther de kat de bel had aangebonden, had het in theorie nog een vreedzame hervorming kunnen worden, maar twee dingen maakten dat het een breuk werd: het concilie van Trento, 16e eeuw, (1545-1563) dat alle hervorming afwees, én het besluit van keizer Karel V om dan in godsnaam maar met de wapens tegen de hervorming te gaan strijden. Het eerste geweld leidde tot het compromis van Augsburg (1555) met het cuius regio eius religio. Dat betekent zoiets als ‘de religie van de vorst is de religie van de onderdanen’. Dus: nog géén godsdienstvrijheid en helemáál geen burgerlijke vrijheden.
 
In Frankrijk ontstond een halve eeuw later een iets moderner compromis, want door het Edict van Nantes (1598) werd katholiek en protestant naast elkaar onder dezelfde vorst mogelijk. Voor het eerst dus een klein beetje persoonlijke godsdienstvrijheid en gewetensvrijheid. Engeland bleef gespaard van grote godsdienstoorlogen. Daar waren alleen wat problemen met de calvinistische Puriteinen, die zonder veel bloedvergieten opgelost werden.
 
De kerk bleef compromisloos de hervorming bestrijden, en reorganiseerde zich zelf. Met o.a. gecentraliseerde macht aan de paus. En Inquisitie. En een index van verboden boeken. In de verschrikkelijke godsdienstoorlogen van de 16e en vooral 17e eeuw werd de geestelijke basis van de middeleeuwen definitief vernietigd, en een eerste basis gelegd voor de Verlichting.
Er ontstonden religieus-neutrale staten onder gekroonde hoofden met absolute macht. Omdat die macht geen religieuze onderbouwing meer had, schiep de staat zich een machtsapparaat zoals de middeleeuwen nooit gekend hebben. Dat machtsapparaat is er in onze tijd nóg.
De Verlichting laat zich niet in een paar woorden beschrijven. Ik noem maar een paar aspecten. Het was het ontwaken van een nieuw bewustzijn van het zelf, van een drang naar een innerlijke vrijheid van denken. Het was ook een reactie op de inperking van de uiterlijke vrijheid, die weer gevolg was van de toenemende ordening van de Europese samenleving. De filosofieën van de Verlichting werden strijdmiddel van de kritiek op maatschappelijke toestanden. Niet vreemd dus dat onder de absolute monarchie Voltaire gevangen werd gezet en Rousseau verbannen. Kant noemde de Verlichting “het uittreden van de mens uit zijn door eigen schuld ontstane onmondigheid”.
 
Heirman noemt John Locke (1632-1704) de belangrijkste politieke filosoof van de 17e eeuw. Hij was een van de eersten die een kenleer opbouwden zonder religieuze axioma’s. Zijn ‘natuurlijk recht’ was niet meer op theologie gebaseerd, maar op redelijkheid.
 
Engeland had tijdens zijn religieuze perikelen meteen de absolute macht van zijn koning ingeperkt, en niet zo’n beetje. Waarschijnlijk kent de geschiedenis geen wet die grotere invloed heeft uitgeoefend op de ontwikkeling van de rechtsstaat én van de mensenrechten dan de Habeas Corpus wet van 1679, die willekeurige arrestatie en veroordeling zonder proces moest voorkómen. En dat geldt ook voor de even revolutionaire Bill of Rights, tien jaar later, die ieders gelijkheid voor de wet garandeerde. Engeland werd Europa’s eerste parlementaire en constitutionele monarchie, en ook Europa’s eerste rechtsstaat.
 
Het Europese denken was niet langer op God gecentreerd, maar op de mens: theocentrisch denken werd antropocentrisch denken. Met miljoenen doden en onnoemelijk veel leed hadden de godsdienstoorlogen erin gehamerd dat meerdere religies naast elkaar én verdraagzaamheid onvermijdelijk waren. Ze brachten geloof in de menselijke rede, én geloof dat je ondanks ideologische verschillen best wel tot accoorden kon komen. De Achilleshiel van de Verlichting was en bleef natuurlijk de redelijkheid, het op voorhand aannemen dat alle mensen redelijk zijn en redelijk zullen handelen. Helaas gaat dat niet altijd op, ook vandaag nog niet.
 
De Romantiek
De moderniteit bracht niet alleen de Verlichting, maar ook de Romantiek. En die twee stonden diametraal tegenover elkaar. Voor de Verlichting lag het meeste gewicht op de rede, voor de Romantiek op het gevoel en de wil. Het was een scheiding van de geesten binnen de moderniteit, en die is nog steeds niet helemaal geheeld.
 
De Verlichting wilde een totaal nieuwe, vrije toekomst scheppen, waarin alles anders zou zijn. De Romantiek probeerde in het verleden een vernieuwd ‘houvast’ te vinden, b.v. in religie en/of in nationale of etnische verbondenheid, in feite dus terugkeren in vroegere geborgenheid. De Verlichting kreeg de overhand. Maar de romantiek, met zijn anti-democratische, anti-liberale en anti-rationele tendenzen, bleef de meest geduchte tegenstander.
 
Vooral in Duitsland zat de Romantiek diep. Daar werd gedicht en geschreven over het heimwee naar het ‘verloren paradijs’, nu eens de middeleeuwen, dan weer het klassieke Griekenland. Sleutelfiguren in de 18e en 19e eeuw in de literatuur waren Herder, Goethe, Novalis en de gebroeders Grimm, in de filosofie Fichte, Schelling en Hegel. Er ontstond b.v. een mythische cultus van ‘een Germaans imperium met uitgestrekte bossen aan de omtrek om kwalijke invloeden te weren’. Nog vóórdat de Nazi-ideologie met zijn ‘Blut und Boden’ theorie van start ging, marcheerden er in de 20er jaren vrijkorpsen door Berlijn die Versailles zagen als ‘een dolkstoot jegens de oude Germaanse waarden’. Alleen Berlijn telde toen in vier jaar tijds meer dan 300 politieke moorden.
 
Het romantische alternatief vond ook ingang in andere Europese landen, maar daar alleen in de literatuur, zonder filosofische basis. Door die kennelijk heel diep zittende oude Germaanse tradities zou Duitsland de Romantiek het langst koesteren Ze verdween daar pas na de tweede wereldoorlog.
 
De Franse Revolutie
De ideeën vrijheid, gelijkheid en broederschap werden in 1789 natuurlijk niet nieuw uitgevonden. Ze hadden al eeuwenlang het verzet tegen de absolute macht van kerk en vorst onderbouwd. De Franse revolutie begon heel traditioneel als een opstand van de gezeten burgerij, zeg maar even de middenstanders, tegen de macht van de koning. Onder die burgerij leefde een vierde stand, van bezitlozen, die later proletariaat zou gaan heten. Toen werden ze ‘sansculottes’ genoemd. Er waren weliswaar wat socialistische trekjes en er werden zelfs communistische leuzen gehoord zoals ‘de grond is van niemand, de vruchten van allen’. Maar die werden snel onderdrukt met de grote gelijkmaker, de guillotine.
 
Maar na drie jaar revolutie werd Frankrijk een republiek, en veranderde de opstand in de droom om letterlijk met alles tegelijk helemaal opnieuw te beginnen. En dat deden ze ook. Letterlijk niets werd gelaten zoals het was, tot en met een nieuwe kalender en een nieuwe cultus, compleet met standbeelden, voor de godin van de Rede.
 
Napoleon zette figuurlijk en letterlijk de kroon op de revolutie. Hij bleef als generaal, consul en keizer jarenlang de revolutie behoeden en uitdragen. Het eindresultaat was dat in 1815 letterlijk niets in Europa nog hetzelfde was als in 1789. Citaat van een latere historicus: “Het was een verbijsterende maalstroom van gebeurtenissen geweest. Een koningspaar op het schavot, een keizer uit het niets, de vorstenhuizen van heel Europa verjaagd of vermoord, en voortdurende oorlogen. Maar ook enthousiasme, elan, idealisme en hervormingsdrift zoals die in Europa nooit eerder waren vertoond.”. (173)
 
De Franse Revolutie was zo bijzonder omdat ze niet alleen maar politiek van aard was, maar fundamenteel tot in de diepste diepte. En omdat ze niet aan één land gebonden was, maar universeel, bedoeld voor alle mensen van de wereld. Haast messiaans. Kerk en kroon in Europa waren geschokt en schoven tijdelijk hun oude geschillen opzij om dat gevaarlijke denkwerk te bestrijden, nota bene in een Heilige Alliantie. In de 19e eeuw kregen ze medestrijders uit de Romantiek. De ‘Verlichting’ van Frankrijk en de ‘Romantiek’ van Duitsland zouden daarna nog in twee wereldoorlogen hun krachten meten. (212)
 
Even leek het alsof na 1918 de moderniteit in veilige haven was. Maar toen kwam — alweer gedragen door de Romantiek — als derde speler het Nazisme op. Dat werd de meest radicale en gewelddadige tegenstander van de moderniteit, en het zou die totaal uitgeroeid hebben, als de eerste duurzame republiek uit de moderniteit, de Verenigde Staten, het pleit niet had beslecht. Het enige dat de moderniteit toen nog als obstakel had, was de oude en tragische tweespalt tussen liberalisme en socialisme, d.w.z. tussen vrijheid en gelijkheid.(213)
 
Over vrijheid en gelijkheid.
Tijdens de Franse revolutie werden vrijheid en gelijkheid als onscheidbaar gezien. Later raakten die twee tragisch gescheiden. In de praktijk bleek dat het egalitaire van het socialisme en het hiërarchische van het liberalisme onverenigbaar zijn. Aanvankelijk won de liberale burgerij, dus de vrijheid. Maar, o.a. door de kwalijke bijwerkingen van de industrialisatie, dook de gelijkheid weer op, en werd het socialisme via de revolutie van 1848 en de Commune van 1870 tenslotte doorgegeven aan de revoluties van 1917 in Rusland en 1949 in China.
 
Pas tegen het eind van de 20e eeuw zou men gaan inzien dat vrijheid en gelijkheid toch alleen in samenhang dingen kunnen veranderen of verbeteren. Ze verdragen elkaar slecht, maar ze kunnen toch niet zonder elkaar. In Nederland heet het hanteren van die haat-liefdeverhouding paarse politiek. Het is nog te vroeg om te kunnen zeggen of de moderniteit er alsnog mee leert leven. In zijn uiterste praktische consequentie betekent dat voorlopig blijven laveren tussen verzorgingsstaat en marktwerking, in afwachting van wezenlijke ideeënverandering.
 
Het volksnationalisme in het krachtenveld
De felste strijd tegen de moderniteit werd geleverd door het volksnationalisme (soms samen met religie en romantiek). Volksnationalisme is de verbondenheid tussen mensen die vanouds steunt op ‘natuurlijke’ verbanden als gezin, familie, clan, dorp, stad of gewest, de verbanden die het dagelijks leven eeuwenlang hebben geregeld, méér dan vorst of kerk ooit deden. (216). Nationalisme staat tegenwoordig in een kwade reuk door geweld en conflicten, maar laten we niet vergeten dat het moreel niet inferieur is om in gemeenschappen te willen leven op basis van gemeenschappelijke taal, cultuur, geschiedenis of wat dan ook. Het wordt pas dubieus als het verkeer met andere gemeenschappen niet vreedzaam gaat.
 
Volksnationalisme impliceert gebondenheid, gemeenschapsgevoel, aanvaarde orde en gezag. Maar de Revolutie preekte juist gelijkheid, zonder respect voor ‘helden en heiligen’. Dat leidde tot een probleem dat door de filosoof Lefort (1924) ‘de lege plaats’ wordt genoemd.(217) Voorheen werd de macht belichaamd in de persoon van de vorst of de religieuze leider, en die ontleenden hun macht aan God, heldhaftig en heilig dus. Maar in een moderne democratie is de macht niet meer dan een lege plaats, die in theorie door iedereen bezet kan worden, ook door een gewoon mens zoals U of ik. Maar het volk wil ‘helden en heiligen’ boven zich zien, desnoods een Duce of een Führer, maar niet een ‘gelijke’, laat staan een kille wet en een anonieme bureaucratie. Abstracties zeggen een volk weinig.(218)
 
Zodoende bleven de massa’s in de 19e eeuw nog betrekkelijk immuun voor het revolutionaire gedachtengoed van Verlichting en moderniteit. Zodat kerk en kroon toen een flink stuk verloren terrein konden heroveren. Tot de spanning in de 20e eeuw opnieuw zo hoog zou oplopen dat in 1914 de bom barstte. Pas in 1945 stond in feite niets meer in de weg aan een massale doorbraak van de moderniteit. (218). Althans in Europa. Buiten Europa moest het proces van eeuwen in enkele decennia alsnog worden doorgemaakt. Dat is een verhaal op zichzelf.
 
Tot slot:
Moderniteit is niet iets dat je in een paar woorden eventjes beschrijft, zelfs niet als je het alleen filosofisch wilt doen. Ik probeer dat dus niet. De moderniteit heeft ongeëvenaarde praktische successen opgeleverd, maar ook mentale ontreddering, en dat ondanks een schatkamer aan idealen.
 
De 19e en de 20e eeuw waren daar een soort afspiegeling van in het klein. In de 19e eeuw was het vooruitgangsoptimisme zo’n beetje op z’n toppunt. Kant, 18e eeuw, (1724-1804) zag de gang van de geschiedenis nog als “de geleidelijke afname van oorlog en geweld, en een gelijktijdige toename van vrede, recht en redelijkheid.” Hegel, 19e eeuw, (1770-1831) verduidelijkte: “Bij de aanvang van de geschiedenis was er vrijheid voor niemand, vervolgens voor één enkele, daarna voor een minderheid, en uiteindelijk voor iederéén.”
 
Het was een prachtig visoen, dat langzaam moest wijken voor de kille werkelijkheid, van niet minder maar méér conflicten, van niet afnemende maar toenemende armoede. En toen twee wereldoorlogen alle vroegere oorlogen in de schaduw stelden qua wreedheid en verlies aan mensenlevens, ging Europa twijfelen aan de uitgangspunten van de Verlichting, en wilde de niet-Europese wereld er helemáál niets meer van weten.
 
Dat heeft te maken met het feit dat de moderniteit barstensvol zit met contrasten en tegenstellingen. Die zijn er blijkbaar een essentieel bestanddeel van. Het filosofische en wetenschappelijke basiscontrast zat in het Cartesiaanse dualisme. Dat werd de motor van de moderniteit, die zich sindsdien steeds in paren heeft ontwikkeld: subject—object, stof—geest, rationalisme—empirisme, zuivere rede—praktische rede, maar ook denken—voelen, vrijheid—gelijkheid, geloof—wetenschap, Verlichting—Romantiek, socialisme—liberalisme. Ook de mens zelf werd gescheiden in een lichaam en een geest. (214)
 
Het meest bizar is volgens Heirman het contrast tussen de dubbele verschijningsvorm van de mens die aan de basis van de moderniteit ligt. Al tijdens de renaissance onderscheidde men de mens in een uomo singulare en een uomo universale (216). In de Franse Revolutie werd dat wat duidelijker verwoord: een burger is een persoon met enerzijds een persoonlijk leven en persoonlijke belangen (een concreet, uniek individu dus), maar anderzijds ook deelhebber aan een soevereine burgergemeenschap, maar dat is een abstract idee, een ideaal. Daar zit niets tussen. Pas later kreeg men in de gaten dat dat voor de meeste mensen te hoog gegrepen was, en dat velen zich daarom niet aangesproken voelden door de idealen van de Verlichting. Eenvoudiger gezegd: zonder gemeenschap geen individualiteit, zonder individualiteit geen gemeenschap. Als je het nóg verder vereenvoudigt: het is het contrast tussen ‘ik’ en ‘wij’ (ik ben een ik, maar tegelijk ook een deel van een wij).
 
Verlichting en moderniteit hebben de massa’s dus weinig geïnspireerd. De rol van verstand en redelijkheid bleef veel beperkter dan het Verlichtingsoptimisme verwacht had. De massa blijkt zich meer door gevoelens en symbolen te laten leiden dan door ideeën. Toch is er grond voor hoop en optimisme. Al was het alleen maar vanwege het feit dat de tegenstanders van de moderniteit géén hoop te bieden hebben, want die vallen alleen maar op het verleden terug, en willen soms zelfs dingen herstellen die nooit bestaan hebben. (223). In ieder geval is de emancipatie en scholing van de 20e eeuwse massa een ontwikkeling in positieve richting.
In het tweede millennium is veel misgegaan. Het had een — echte — synthese kunnen worden van zin voor vernieuwing en zorg voor traditie. Maar het werd confrontatie en conflict, en dus een verloren millennium (222) Maar hoe dan ook, een weg terug is er niet. (224) Alleen de moderniteit zélf bezit het vermogen om uit haar fouten te leren en bakens te verzetten. (222)
 
 
Bron: Mark Heirman, Het verloren millennium, uitg. Hadewijch Antwerpen-Baarn, 240 blz., ISBN 90 5240 3341


 


Voor het onderhoud van deze website zijn wij afhankelijk van donaties. Klik hier voor meer informatie