Login

De Gebroken Kolom

Verzamelpunt voor bouwstukken

Het Chinese denken

 

 

Dit document bevat:
1. Inleiding in het Chinese denken
2. Chronologie van de Chinese geschiedenis, met wat opmerkingen over o.a. de Chinese taal.
3. een fragment uit een boek van Martin Palmer dat iets beschrijft van het huiselijk leven in China
N.B. Na het schrijven van dit verhaal heb ik gemerkt dat Martin Palmer, als sinoloog en theoloog, meer dan gebruikelijk pas de religieuze variant van het taoïsme als het echte taoïsme beschouwt Achteraf bekeken had ik beter het accent wat meer naar de filosofische kant kunnen schuiven.
-------------------------------------------------------------------------------------------
Het Chinese denken
Piet Romeijn, januari 2004
Ik begin met een algemene karakterschets van China en iets over de geschiedenis. Dan gaat het achtereenvolgens over taoïsme, Confucianisme, boeddhisme, en wetenschap.
Karakterschets:
Voor de Chinezen is de ultieme werkelijkheid, die dus tot niets anders meer herleidbaar is, de natuur in de wijdst denkbare betekenis, van grasspriet tot heelal. Ze noemen dat tzu-jen, dat-wat-vanzelf-zo-is. Dus geen schepping, geen schepper, geen god, geen begin, geen einde. Met die natuurfilosofie zijn ze de langste ononderbroken cultuur ter wereld. Anders dan in het westen zien ze de natuur als autonoom.
Alles in de kosmos bestaat uit chi, vitale energie, wat wij een energieveld zouden kunnen noemen. De chi is eeuwig en manifesteert zich in informatieve patronen tot de verschijnselen, volgens een universele orde. In een eeuwig yin en yang ritme van komen en gaan. Dat proces wordt geduid met de naam Tao, de weg die alle verschijnselen doorlopen. De aarde, planten, mensen, gebeurtenissen, kennen allemaal een eigen tao. Het Chinese denken is dus niet zijnsdenken, maar wordingsdenken. Het Tao concept is de basis gebleven van alle filosofieën en religieën die ooit door China bedacht of overgenomen zijn. Behalve islam en christendom, maar die zijn ook nooit overgenomen..
Fundamenteel in dat procesdenken is de wisselwerking tussen microkosmos en macrokosmos. Kosmos te verstaan als ieder organisch geheel in het universum. Van een druppel bloed tot een mens als macro, of van de mens als micro tot het heelal. Die wisselwerking is niet lineair, maar reticulair, als een netwerk. Alles beïnvloedt alles, in een eeuwige universele orde. De orde in de ene kosmos bewaart de orde in de andere. Door geduldig en aandachtig waarnemen kun je daar zicht op krijgen.
Hoe doe je dat? Je vergelijkt een micro- en een macrokosmos met elkaar en je ziet wisselwerking. Je probeert veranderingen in de ene kosmos over te brengen naar de andere. (Dat is analogie-redenering, want onveranderlijke natuurwetten kent men niet). Zo bouw je eeuwenlang verzamelingen op van waargenomen veranderingen. Die leg je vast in het Boek van de Veranderingen, de I Ching, en je kunt dan verbanden leggen en een beetje vooruitkijken.
Dit wordt toegepast op letterlijk alle verschijnselen en gebeurtenissen. Er is continue verandering, maar op een universele, geordende manier. Het in stand houden van die orde is de drijvende kracht achter al het Chinese denken. Dat is het Chinese universalisme. Het ligt aan de wortels van hun taoïsme, confucianisme, boeddhisme, en alle andere -ismen.
Natuurlijk vroeg men zich ook in China af hoe toch die chi de enorme vormenrijkdom van de wereld tot stand brengt. Want het Chinese denken richt zich náár leven en wereld, anders dan in India, waar men wég wil van leven en wereld. (Vink28) Hun eerste antwoord was dat yin en yang daarvoor zorgden. Zo worden b.v. de seizoenen verklaard. Maar dat was te globaal. Op zoek naar méér ontstond de ‘leer van de vijf fasen’: water, vuur, hout, metaal, aarde. Wij zouden ze elementen noemen, maar het gaat in China er niet om hoe de boel is samengesteld, maar hoe het proces verloopt. Moeizame getalsverhoudingen tussen yin en yang en die vijf fasen, én de vier seizoenen, én de vier windrichtingen, leverden nog steeds geen bevredigend beeld. Hun definitieve oplossing vonden ze in de symboliek van de I Ching, met zijn 64 hexagrammen, elk met een andere combinatie van yin en yang. Het zou een misvatting zijn om de I Ching met westerse waarzeggerij te vergelijken.
Geschiedenis in vogelvlucht
Die begon ongeveer met de zgn. drie dynastieën, vanaf ca 2000 vC. Daarvóór ligt het mythologische tijdperk van de ‘vijf verheven keizers’, nog steeds hoog vereerd. Het sjamanisme speelde toen een grote rol.
De eerste betrouwbare datum is een zonsverduistering in 776 vC. Dat was tijdens de Chou dynastie. Die begon met een ‘gouden eeuw’, met grote en rechtvaardige heersers en eindigde met neergang, de ‘periode van de Strijdende Staten’, maar tegelijk ook ‘de periode van de Honderd Scholen’. Grote denkers als Confucius, Lao Tze, Chuang Tze en Mencius legden toen het fundament voor de Chinese levensbeschouwing.
De oudste school was die van de confucianisten. Die idealiseerden het verleden en benadrukten innerlijke opvoeding tot aristocratische deugdzaamheid. De taoïsten moesten daar niets van hebben. Spontaan en onbewust meestromen met de Tao, dát was hun parool. De naturalisten van de yin-yang school zochten inspiratie in de bezielde eenheid van de kosmos, met organische wetmatigheden. De mohisten wilden aan die inspiratie religieus gestalte geven, minder aristocratisch, gebaseerd op liefde, soberheid en discipline. De legalisten streefden naar versterking van het centrale gezag door wetten en straffen. De waarde van de mens werd bepaald door zijn nut voor de staat. (WP186/187) Duidelijk onderling strijdige denkrichtingen dus, in de tijd ongeveer gelijk met het hellenisme in het Midden-Oosten.
Die troebele periode eindigde in een traumatische ervaring. Eén keizer zorgde voor politieke hervormingen, maar tevens voor een culturele ramp. U hoort daar straks meer over. (P30/31) Na dit trauma kwam de Han dynastie (vier eeuwen rondom begin van onze jaartelling). Er gebeurden toen belangrijke dingen:
(1) een synthese van die strijdige elementen uit die zgn. ‘honderd scholen’. De uitkomst kreeg de naam ‘confucianisme’, maar Confucius zou zichzelf er zeker niet in herkend hebben, net zo min als Lao Tze.
(2) een explosieve groei van nieuwe religieuze praktijken, geloofsinhouden, goden, magie, waarzegging, enz. Ideeën van sommige filosofen kregen er een plaats in, als theorie, maar soms ook als personen, als objecten van verering. Geheel volgens het gezegde dat de massa helden en goden prefereert boven ideeën.
Dat gebeurde op verschillende manieren: bij het volk in de vorm van wat sindsdien als de ‘klassieke Chinese godsdienst’ wordt beschouwd. Een diffuus mengsel van leringen en praktijken, gekleurd naar regio en etniciteit, met een scheut boeddhisme erdoor. En bij de elite werd het een filosofische verzoening, die in 136 vC ook nog als staatsdoctrine gecanoniseerd werd. Het wordt Han-confucianisme genoemd, maar die naam zegt meer over de verering van de persoon van Confucius, dan over zijn denkwerk. (WP187). In mijn ogen is die synthese een prachtig staaltje van filosofisch/religieuze oecumene.
Voor de samenleving liep dat mooi evenwijdig. Wat in de ‘godsdienst’ impliciet werd geloofd en gepraktizeerd, werd in de wijsbegeerte expliciet gemotiveerd en gerationaliseerd. Voeg daar de dubbelrol van de keizer aan toe als ‘sjamaan nieuwe stijl’, en je hebt een ideale structuur voor eeuwenlange continuïteit, met als bindmiddel het Chinese universalisme. En je hebt geen scheiding van kerk en staat nodig.
De Chinese godsdienst was bepaald géén eenheidsworst. Het was een uitgesproken syncretische drieëenheid van confucianisme, taoïsme en boeddhisme. Het taoïsme en het boeddhisme hadden gewoon elk hun eigen sekten, gemeenschappen, monniken en priesters.Men offerde aan een boeddhistische godin voor het ene, en even later aan een taoïstische god voor iets anders. (WP188) (zie ook bijlage Palmer aan het eind van dit document)
In latere eeuwen kwamen er nog geïmporteerde godsdiensten bij: islam, nestorianisme, manicheïsme, mazdeïsme. Ook was er een tijd lang bestrijding van het boeddhisme door een confucianistische elite. Die uiteindelijk tot ‘aarding’ van het Indiase boeddhisme zou leiden, het Zen boeddhisme. (WP188) Tenslotte kwam het tot wéér een grote synthese, in de 11e/12e eeuw. Dat was de tweede na de Han-synthese, duizend jaar eerder. (WP188) De uitkomst ervan wordt neonconfucianisme genoemd. Dit atheïstische, religieus/filosofische mengsel is sindsdien de wereldvisie van China gebleven. (WP188)
De laatste dynastie, de Mantsjoes, werd als vreemde overheersing gezien. Veel geleerden weigerden de traditionele dienst aan de keizer. Voor het eerst ontstond een minder afhankelijk netwerk van geleerden en academies.(5.21vdL04) In de 17e/18e eeuw ontstond ook een beetje belangstelling voor empirische en wiskundige studie. (5.22v.dL365)
En poging in de 19e eeuw om een derde synthese tot stand te brengen, nu tussen Chinese en Europese ideeën, mislukte. Filosofie kreeg het karakter van zoeken naar marxistische etiketten op bestaande denkbeelden. De ontwikkelingen in de 20e eeuw hebben desintegrerend gewerkt op het taoïsme en het boeddhisme. Het confucianisme sec heeft daar minder last van gehad omdat het meer levenshouding is, en geen eigen instituties heeft. In 1973 werd het officieel bestreden, in 1994 weer in ere hersteld.
Het Taoïsme
De term taoïsme wordt verschillend gebruikt, voor het prehistorische oerconcept, maar ook voor de voldragen stroming van filosofie plus godsdienst. In ieder geval is het concept Tao veel en veel ouder dan het concept taoïsme.
Het sjamanisme, ongeveer 8000 jaar geleden ontstaan in Siberië, heeft als kern het geloof dat er twee werelden zijn, de wereld waarin wij leven en de wereld van de krachten die onze leefwereld besturen. Het was de taak van de sjamaan om met die andere wereld contact te houden. Men neemt aan dat die vijf mythologische keizers geleidelijk van sjamaan tot keizer evolueerden. In ieder geval was het in de volgende 25 eeuwen de keizer die elk jaar de natuurkrachten te vriend moest houden met de juiste offers en rituelen. Als hij tekort schoot, b.v. bij natuurrampen, ziekten of misoogsten, dan kon dat er op wijzen dat hij zijn ‘mandaat van de hemel’ kwijtraakte, en dat hij dus beter kon verdwijnen.
Confucius en Lao Tze schreven allebei over de goede manier om een staat te leiden. Lao Tze bepleitte ‘spontaan de Tao volgen’, zonder riten of wetten. Het bekende wu wei is taoïstisch. Het betekent niet ‘niets doen’, maar de kunst om zo in harmonie met de Tao te leven dat alles gebeurt zoals het zou moeten gebeuren. Tegenhanger was Confucius, die de Tao zag als een aan de wereld opgelegde heerschappij, hiërarchisch van opzet en uitmondend in vastgelegde betrekkingen tussen verwanten wat rangorde en status betreft. Hij probeerde dat te vangen in hoog-ethische regels en voorschriften.
Twee grote namen uit het filosofische taoïsme zijn Lao Tze en Chuang Tze. Lao Tze is niet een naam, maar een eretitel ‘oude meester’. Alles wat we over hem menen te weten is onzeker. Zijn boek heette aanvankelijk gewoon ‘de Lao Tze’, maar veel later kreeg het de naam Tao Te Ching. ‘Ching” betekent gewoon ‘klassiek boek’. Het begrip Te kent vele vertalingen, maar ze duiden allemaal op iets dat ieder mens in zich heeft als een soort persoonlijk ‘kompas’ voor zijn koers door het leven. In de taal van Libbrecht is het de vrije energie waarover ieder mens zelf kan beschikken.
De Tao Te Ching munt niet uit door duidelijkheid. Korte, kernachtige maar cryptische stukjes tekst, die slechts nu en dan onderling verband vertonen, met veel karakters waarvan de betekenis van toen nu onzeker is. Volgens Palmer zijn de teksten interessanter en uitdagender dan die van Confucius. Hij vindt het boek een juweeltje van wijsheid, commentaar en beeldspraak, dat de lezer aan het denken zet. (P57)
Het behandelt thema’s als kennis, tijd, taal en betekenis, de Weg, en het stoffelijke en onstoffelijke. Er wordt b.v. geprobeerd conventioneel taalgebruik aan de kaak te stellen door de beperkingen ervan te laten zien. Voorbeeld: De Tao waarover wordt gesproken, is niet de eeuwige natuur van de Tao. Dat wat genoemd kan worden, is niet de ware Tao.
Een jaar geleden vond ik dit cryptische onzin. Nu begrijp ik iets meer van wat hij probeert in woorden te vangen, en dat je sommige mysteries mysterie moet laten. En ik kan meevoelen met de worstelingen van de vertalers.
Het schijnt dat de yin en yang ideeën ongeveer gelijk met de Tao Te Ching zijn ontstaan:
De Tao is de oorsprong van het Ene.
Het Ene schiep de twee.
De twee vormden de drie.
Uit de drie kwam al het leven voort
Uitleg: De Tao is het Ene. Daaruit kwamen de twee krachten yin en yang voort. Daaruit ontsprong de triade hemel, aarde en mensheid. Daaruit komen alle bestaansvormen voort. (P61).
Een belangrijke navolger van Lao Tze was Chuang Tze (369-286 vC). Zijn boek verschilt sterk van de minimalistische taal van de Tao Te Ching . Het onderzoekt het begrip Tao, maar ook andere scholen uit zijn tijd. Het bestaat voor een groot deel uit anekdotes, grappen, verhalen e.d. Palmer vindt het eigenlijk een van de leukste boeken in het Chinees. Opmerkelijk is het opduiken van het thema onsterfelijkheid. Dat werd nu serieus genomen, nadat er al eerder expedities op zoek waren geweest naar eilanden met onsterfelijke mensen. (P69)
In 221 vC veranderde alles in China met de grootste schok die het ooit beleefde. In één klap werden de meeste zuilen van betekenis neergehaald en gebroken. Alle filosofische scholen werden opgeschud door nieuwe, dwingende richtlijnen en normen van de keizer. Hij stond geen andere manier van denken toe dan de zijne. Alle boeken over geestelijke zaken werden verbrand, soms de auteurs ook. Hij had belangstelling voor onsterfelijkheid en overtuigingen over goden en alchemie, die later in het volkstaoïsme zouden opduiken. En hij lanceerde vele nieuwe vragen voor zijn geleerden. In elf jaar tijd had hij heel China op zijn kop gezet, en totaal nieuwe denkrichtingen gestart. Hij was de megalomane keizer met die rijen terracotta soldaten in zijn graftombe.
Na zijn regime leek alles anders. Veel was op losse schroeven gezet. Alles leek ineens veel kwetsbaarder door menselijk handelen dan mogelijk werd geacht. (P87) . Er ontstond verlangen naar meer zekerheid over voortbestaan na de dood. En plaats en betekenis van het individu kregen meer gewicht. Verantwoordelijkheid voor het verstoren van de Tao lag niet meer alleen bij de keizer, maar ook bij ieder individu. (P87)
Een paar eeuwen lang was er een explosie van nieuwe religieuze praktijken, geloofsovertuigingen, godheden, magie, waarzeggerij e.d. In dat proces speelden oude filosofen mee, maar dan voornamelijk als te vereren godheden. Rond het begin van onze jaartelling werd Confucius, nota bene ontkenner van het belang van het spirituele, al volop aanbeden, later zelfs verplicht. Ook Lao Tze en de Gele Keizer werden aanbeden als manifestaties van de Tao. (P88)
Palmer beschrijft het aldus voldragen taoïsme opgebouwd uit drie ingrediënten: het sjamanisme, Lao Tze plus navolgers, en de hang naar onsterfelijkheid. Het had een hele klasse mensen voor het eerst persoonlijke verlossing geboden, plus een eigen rol daarin. Bovendien had het een van de meest ingewikkelde systemen van geloofsovertuigingen, godheden en leringen tot stand gebracht die de wereld ooit gezien had.
Van dát taoïsme werd in de vijfde eeuw na Christus de eerste canon samengesteld, als integratie van drie taoïstische scholen. Sleutelbegrippen: organisatie in parochies, met plaatselijke tempel en priester, betaling voor priesterlijke diensten i.p.v. aalmoezen, meditatie, prachtige rituelen en liturgieën, en popularisering van de leerstellingen voor de gewone man. (P102-106). Een vierde school voegde er ook nog eens het beste aan toe uit alle drie de geloven die toen populair waren: confucianisme, boeddhisme en taoïsme (P108). De laatste canonisatie was 1000 jaar later, in 1444. (538 boeken) (P107)
Vanwege de tijd resumeer ik nu de drie hoofdrichtingen van het Chinese denken, inclusief het taoïsme, in één keer. Ruim duizend jaar Chinees denkwerk, met als constanten het Tao concept en het Chinese universalisme, hadden een ‘menu’ van drie gangen opgeleverd:
(1) het confucianisme, meer doctrine dan filosofie, meer levenshouding dan religie, maar toch geïncorporeerd in de klassieke godsdienst.
(2) het taoïsme, geworteld in sjamanisme, nog steeds een filosofie, maar ook uitgegroeid tot het religieuze taoïsme, onscheidbaar van de klassieke godsdienst.
(3) het boeddhisme, geïmporteerd uit India, de toeters en bellen ervan geïncorporeerd in de Chinese godsdienst, de filosofie omgewerkt tot het Zen boeddhisme.
Ik gebruik het woord ‘menu’, omdat het voor het Chinese volk echt een keuzemenu was. De gangbare naam van dit menu is ‘neoconfucianisme’.
Is dat nou ‘het Chinese denken’? Ja en neen. Já, want ik heb nu de drie hoofdgerechten bij elkaar geveegd. Néé, want het heeft nergens als een geheel gefunctioneerd, maar in ‘lagen’ van de samenleving verschillend:
• op het niveau van het volk in de vorm van een syncretische volksgodsdienst, enorm gevarieerd, gemengd naar regio en etniciteit. Dat is de ratjetoe van de klassieke Chinese godsdienst. (zie ook het fragment Palmer)
• op het niveau van de elite als een soort oecumenische filosofie, een samensmelting van die confuciaanse, taoïstische, legalistische en mohistische elementen uit de begintijd, plus het eigen vorm van het boeddhisme. Die naast levensbeschouwing ook staatsleer werd.
In hun strekking lopen die twee evenwijdig. Wat ‘onderin’ geloofd en gepraktiseerd werd, werd ‘bovenaan’ gesanctioneerd.
Het confucianisme
Confucianisme is dus niet meer de filosofie van mijnheer Confucius, maar een complex van opvattingen, zienswijzen en filosofieën van vele denkers, dat zich eeuwenlang heeft ontwikkeld. Confucius (552-479 vC), of beter gezegd meester Kung, verkondigde geen filosofisch systeem, maar zocht een oplossing voor de anarchie van zijn tijd. Toen hij bij de machthebbers onvoldoende gehoor vond voor zijn ideeën, leerde hij ze aan iedereen die maar wilde. Hij was overtuigd dat hij een missie had die hem door de hemel was opgedragen. Hij bepleitte een ethiek van hoog niveau, zowel voor de regeerders als voor de onderdanen. Het sleutelbegrip was jen, menselijkheid, een cocktail van deugden plus de juiste rituelen natuurlijk. Alles gebaseerd op de Tao. Citaat van hemzelf::
“Ik richt mijn geest op de Weg, grondvest mijzelf op de deugd, leun op welwillendheid voor steun, en zoek ontspanning in de beschaafde kunsten.” (P44)
Het boek met zijn uitspraken is pas na zijn dood ontstaan, vermoedelijk in een proces van twee eeuwen. We kunnen niet meer precies nagaan welke van hemzelf zijn, maar duidelijk is wel dat latere meningsverschillen er al hun neerslag in hebben gevonden.
Meester Mo , een kleine eeuw later, (479-381vC) was de eerste criticus. In zijn boek Mozi wordt voor het eerst echt geargumenteerd, het boek geeft zelfs algemene criteria voor de juistheid van een opvatting. (25eeuwen373). Daaruit ontsprong zelfs een complete taalfilosofie en argumentatieleer, en ook wetenschappelijke belangstelling, voor optica b.v.. Maar die zijtak naar rationeel en wetenschappelijk denken is nooit volgroeid. Kenmerkend was ook zijn maatschappelijke betrokkenheid.
De gesprekken van Mencius, twee eeuwen na Confucius, (371-289 vC) zijn veel uitgebreider en explicieter dan die van meester Kung en ze hebben ook meer filosofische inhoud. Hij probeerde, net als Kung, vorsten te bewegen tot humaan regeren, maar voor hem betekende dat in de eerste plaats zorg voor het welzijn van het volk. In zijn ogen moest het volk de vertolker zijn van het ‘mandaat van de hemel’, waaraan de keizer zijn legitimiteit ontleende. Het bekendst is Mencius door zijn leer van de natuurlijke goedheid van de mens. Morele vervolmaking is een proces dat ontspringt uit natuurlijke reacties van het individu. Dus niet de abstracte moraliteit van de mohisten, en ook niet de gecodeerde moraliteit van Confucius.
Staat Mencius bekend als de idealist, Xunzi (298-238) wordt de realist genoemd. Xunzi beschouwde de menselijke neigingen als een gevaar voor staat en samenleving. Hij stelde dat de mens weliswaar niet inherent kwaad is, maar toch in een beschaafde samenleving zijn natuurlijke aard moet overwinnen door studie, voorbeeld, en natuurlijk door de juiste ceremonieën en riten. (25eeuwen402)
Tenslotte de zgn. legalisten, die niets zagen in moralisme, maar een machtspolitiek voorstonden. Al dat denkwerk, meer niet dan wel van Confucius afkomstig, heeft tezamen de naam ‘confucianisme’ gekregen en gehouden. Volgens Prof. van der Leeuw berust de enorme indruk die Confucius heeft achtergelaten, niet zo zeer op zijn leer, maar op zijn persoonlijkheid. (vdL367)
Er waren felle debatten tussen de scholen, maar tenslotte kwam het accent steeds meer te liggen op wat ik als het Chinese universalisme heb beschreven.(vdL361)
Rond het begin van onze jaartelling werd de filosofische concurrentie bijgelegd in de vorm van het zgn. Han-confucianisme, dat Confucius zeker niet herkend zou hebben. Het werd staatsdoctrine. De keizer was toen ook officieel de man die de harmonie met de kosmos moest onderhouden. Daarna begonnen de Chinese Middeleeuwen, net als bij ons een periode van grote religiositeit. Het confucianisme bleef als naam bestaan, maar verloor terrein.
In de 10e eeuw ontstond het zgn. neoconfucianisme, met een nóg kleiner aandeel puur Confucius. Filosofisch greep men terug op Mencius en bouwde dat uit tot een scholastische filosofie. Dat veroorzaakte een tijd lang weerstand tegen boeddhisme en taoïsme, want die trokken zich immers terug uit de wereld en deden niets aan burgerplichten, en dat werd asociaal gevonden. (vdL363) Nog weer later vertakte ook dat neoconfucianisme zich weer in een vleugel met een uitgebreide metafysica, en een vleugel die meer op persoonlijke verinnerlijking gericht was, met als hoofdschotel het Zen boeddhisme. Zeer recentelijk vindt na de communistische revolutie herwaardering van de persoon Confucius plaats, het eerst op Taiwan en aarzelend ook in de volksrepubliek China.
Het boeddhisme
Daar kan ik kort over zijn. De uiterlijke vormen werden in die syncretische Chinese godsdienst vlot opgenomen. Filosofisch lag dat anders, gezien de fundamenteel andere geaardheid van het Indiase denken. In het begin werd het boeddhisme daarom zelfs vervolgd. Het filosofische boeddhisme werd letterlijk ‘geaard’ in de vorm van het Zen boeddhisme. Zen is een theorie en een techniek om Verlichting te bereiken, een ervaring die wij in het westen mystiek noemen. Het is een mengsel van Indiase rationaliteit en abstractie, met Chinese nuchterheid en realiteitszin. (FrommSuzuki79). Uitgangspunt van Zen is dat we de verlichting in onszelf moeten zoeken. Het onderricht gaat in een relatie meester-leerling, zonder veel woorden of studie. Het is zeer persoonlijk. Je eigen instelling of mentaliteit maakt uit of jouw werkelijkheid voor jou samsara of nirvana is. (Vink40)
Wetenschap
De Chinezen hebben veel wetenschap, maar niet zoiets als de westerse moderne wetenschap. Ik probeer dat toe te lichten in de terminologie van Libbrecht. In het Chinese denkwerk worden denken en beleven, rationaliteit en emotionaliteit, veel minder gescheiden dan bij ons in het westen. Chinezen vinden rechtstreekse ervaring zo belangrijk dat ze afkeer hebben ontwikkeld van theorieën en wat wij natuurwetten noemen. (Hij die weet, spreekt niet — hij die spreekt, weet niet).
Ze prefereren kennis die tevens beleving is, en zien beleving als een vorm van kennis. Ze werken daarom niet met abstracties, definities, veronderstelde natuurwetten, of logica, maar met analogieën. Hun denken werkt niet met vertakkende redeneerlijnen of boomstructuren (deductie of inductie?), maar met structuurgelijkheden. Het principe daarachter zou je in westerse taal zoiets als ‘resonantie van het chi-veld’ kunnen noemen. (OF70)
Chinezen waren zorgvuldige waarnemers, maar geen theoriebouwers. Ze waren grootmeesters van de trial and error technologie. Ze konden wel degelijk ook rationeel denken, maar dat was bij hen niet het zwaartepunt.
Voorbeelden:
• Een reticulair geheel leren kennen kan niet door zo’n netwerk op te delen in een eindeloze verzameling binaire relaties. Een ornitholoog die het gedrag van een vogel wil leren kennen, moet aisthesis beoefenen in de vrije natuur, niet in een kooi. (open systeem i.p.v. gesloten systeem)
• Een Chinese spreuk uit 400 vC luidt “Zij die in alle tijden de mensen hebben geleerd het water te beheersen, leerden dat niet van Yü de Grote, maar van het water”. Dat zegt dus: ‘waarnemen, niet denken en redeneren!’.(Yü was een keizer die de delta’s van de grote rivieren tot landbouwgrond wist te maken) (OF72)
• De Chinezen hebben een hoeveelheid astronomische waarnemingsgegevens zonder weerga in de wereld. In de 20e eeuw had een westerse astronoom berekend dat de Krabnevel uit een nova van 8 à 9 eeuwen geleden ontstaan moest zijn. De enige plek in de wereld waar men dat kon toetsen waren de Chinese annalen, die op het bewuste tijdstip inderdaad een ‘gastster’ hadden waargenomen. In China waren namelijk permanent vier ambtenaren aan het waarnemen en optekenen van ieder een kwart van het firmament. Die werden dan gemathematiseerd en bij voorspellingen gebruikt.
• Uit de geneeskunde: polsdiagnose is bij ons een kwestie van tellen, kwantiteit dus. De Chinese geneeskunde kent twintig soorten polsslagen, die men door aisthesis en ervaring van elkaar had leren onderscheiden. Aisthesis, niet redeneren, leverde de kennis van de onderhuidse energiestromen en acupunctuur-punten (die bij ons als electrische potentiaalverschillen zijn bevestigd)
Wat je ook vindt van de Chinese wetenschap, laten we wel bedenken dat de wetenschapfilosoof Francis Bacon die al typeerde als ‘de kennis die het aanzien van de wereld veranderde’. En dat die kennis door aisthesis tot stand is gekomen, aandachtig waarnemen zonder verstoring van het waargenomene.
Wat vind ik er zelf van?
Het heeft even geduurd voordat ik de dieptestructuur van de Chinese cultuur een beetje ging begrijpen. Nu vind ik die dieptestructuur van een hogere orde dan de westerse. Sterke punten van het Chinese denken vind ik hun concept van een autonome in plaats van een ondergeschikte natuur, en wat ik nu maar even hun pantheïsme noem.
•••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••
Naschrift:
P.S. Ik parafraseer uit het comparatieve model van Libbrecht: in zijn comparitiemodel heet het dat subject (mens) zich op drie manieren kan opstellen t.o.v. object (natuur/kosmos/wereld): zich er tegenover plaatsen, ofwel zichzelf als deel ervan beschouwen, ofwel — tussenweg — harmonie ermee nastreven. Heel globaal kun je de westerse/Indische/Chinese culturen in dezelfde volgorde hiernaast zetten.
---------------------------------------------------------------------------
Het verhaal van de denkende duizendpoot
Zen boeddhisten zeggen dat wij veel te veel nadenken. ‘Er was eens’, zo vertellen zij ‘een duizendpoot aan de wandel. Iemand zegt tegen hem “Hoe kan je dat nou toch, met al die poten, en allemaal in het gepaste ritme?” De duizendpoot stopt, kijkt op, en zegt “Daar heb ik mijn hele leven nog niet over nagedacht. Maar weet je wat, om je een plezier te doen zal ik daar eens op letten.” Hij begint weer, en al zijn poten slaan door elkaar. Eigenlijk was zijn verstand tussen zijn poten geslagen. Zijn lopen was een spontane, natuurlijke handeling. Maar hij vraagt naar een rationele verklaring, en meteen lukt het niet meer.’ (Bron: Een glimlach uit het Oosten van Libbrecht)
--------------------------------------------------------------------------------
CHINA - chronologie
Vóór 2200 vC: Mythologische vijf keizers, die van sjamanen tot politieke heersers evolueren.
ca 2200 - ca 1100 vC: Hsia dynastie en Shang dynastie - de eerste geschreven bronnen
ca. 1100 - 221 vC: Chou dynastie aanvankelijk bloei, later chaos en geweld. Laatste drie eeuwen is de ‘periode van de honderd scholen’, met o.a.Confucius, Lao Tze, Chuang Tze, Mencius, e.a.
221 - 207 vC: Chin dynastie kort maar heftig en bloedig. Politieke consolidatie, cultureel vernietiging van het oude, maar nieuwe impulsen, o.a. richting religieus taoïsme
206 vC - 220 nC: Han dynastie bloei, synthese van de ‘honderd scholen’ plus latere vernieuwingen wordt zgn. Han-confucianisme, tevens staatsfilosofie. Opkomst van de klassieke Chinese volksgodsdiensten, incl. boeddhisme
220 - 618 : vele dynastieën, invasies van vreemde volken, nieuwe ideeën, volksverhuizingen, organisatie van het religieuze taoïsme met lokale priesters, eerste taoïstische canon, klooster-taoïsme verenigt het beste uit confucianisme, boeddhisme en taoïsme, ontsluiting van het land door waterwerken die de grote kustvlakten bewoonbaar maken
618 - 907: Tang dynastie bloei, uitvindingen (kompas, buskruit, papiergeld, porselein), handel via zijderoute en overzee, verstedelijking, kosmopolitisch karakter, culturele ontplooiing. Eerste gedrukte encyclopedieën. Ca 800 Chinese bibliotheek van 40.000 waardevolle gedichten, toen Karel de Grote nog niet eens kon schrijven.
960 - 1279: Sung dynastie economische en culturele ontplooiing, boekdrukkunst, architectuur, schilderkunst, dichtkunst, politieke verwikkelingen, renaissance van de wijsbegeerte waaronder het Neo-confucianisme, verdere verstedelijking, invasies uit het Noorden
1271 - 1368: Yuan dynastie Mongoolse overheersing, hard maar stabiel, islam komt binnen via zijderoute, Marco Polo, verwaarlozing van landbouw en waterwerken, zware belastingdruk
1368 - 1644: Ming dynastie Mongolen verjaagd, muur gesloten. Culturele restauratie die niet wilde lukken. 1405-1433 enorme expeditie naar India en Arabië (WP202), waarna China zich afsloot voor buitenlandse invloeden. Heersers worden steeds goddelijker. Cultuur blijft conservatief. 1403-1424 gedrukte reuzenencyclopedie met 23000 trefwoorden
1644 - 1911: Ching dynastie (Mantsjoes) (WP202) Politieke rust met harde hand, later verpaupering door sterke groei van bevolking die door verwaarloosde landbouw niet meer gevoed kon worden. Rassenwetgeving en etnische spanningen. Westerse druk. Binnenlandse troebelen met miljoenen slachtoffers. Hongkong aan Engeland. Militaire nederlaag tegen Japan. Gewelddadige openbreking van China met opium, bijbels en kanonnen.Verstarring op alle terreinen.
1911 en later: Keizer afgezet, eerste revolutie onder Sun Yatsen, 1925 Tsjang Kaisjek, 1949 volksrepubliek onder communistische dynastie, ‘culturele revolutie’ van Mao
Een terugkerend kenmerk van de Chinese geschiedenis is dat iedere dynastie als regel begint met bloei, herstel van misstanden e.d., en eindigt met narigheid. Gevolg van het feit dat een dynastie verdwijnt als omstandigheden er op wijzen dat de keizer zijn ‘mandaat van de hemel’ aan het verliezen is.
---------------------------------------------
Westerse ‘haken en ogen’ aan het begrijpen van het Chinese denken:
• Het is niet doenlijk om consequent filosofie, godsdienst en wetenschap gescheiden te houden, gevolg van fundamentele cultuurverschillen. Die drie zaken worden in westerse ogen altijd ‘vermengd’ in China. Nog sterker, in verschillende lagen van de Chinese samenleving is de mengverhouding ook nog verschillend. Bovenaan kom je b.v. geen God of goden tegen, maar wel ‘confucianisme’, onderaan ligt die verhouding net omgekeerd.
• Een tweede probleem is dat het gebruik van westerse termen gemakkelijk misverstanden kan wekken, omdat de Chinese taal en cultuur zo drastisch verschillen van de onze. De Chinese spreektaal is vrijwel éénlettergrepig. Ongeveer 400 lettergrepen, die op vier toonhoogten telkens een andere betekenis krijgen. De zo ontstane 1600 lettergrepen verschillen bovendien in betekenis naar gelang woord- of zinsverband.
De schrijftaal begon als pictogrammen, afbeeldingen van wat men wilde duiden. In de loop van de tijd werden ze abstracter, en werden het meer ideogrammen. Een paar eeuwen vC waren er al circa 50.000 karakters, de meeste samengesteld. In de 17e eeuw werden er 214 betekenisduidende elementen aan toegevoegd, als ‘richtingwijzers’. Verbuigingen, tijden, naamvallen, enkel- en meervoud kent het Chinees niet. Interpretaties van teksten, vooral oudere, worden een ‘hachelijk avontuur’ genoemd. Chinees lezen op elementair niveau vereist kennis van ongeveer 2000 karakters. Met 8 à 10.000 ben je een zeer belezen en ontwikkeld mens.
Woorden als weg, boom, tafel, laten zich goed vertalen, maar voor filosofische begrippen volstaan woordenboekvertalingen niet; daar is voor de westerling altijd uitgebreide uitleg bij nodig. Een voorbeeld: ik heb o.a. een boek gebruikt van Martin Palmer, een Cambridge theoloog en sinoloog, die jaren in China gewoond en gestudeerd heeft. Hij woonde op de Tai Po Tao; hier betekent ‘tao’ gewoon ‘de weg naar Tai Po’.
(De transcriptie naar ons alfabet schijnt ook een avontuur te zijn, want ik heb nog geen twee schrijvers onder ogen gehad die dat op dezelfde manier deden.)
Terminologie:
Ik resumeer voor alle zekerheid de termen die Libbrecht gebruikt als hij aan het compareren is: energie in vrije (transcendente) en gebonden (immanente) vorm, informatie die energie tot fenomenen vormt, de mens in, tegenover of als deel van de kosmos, uitgerust met een rationele functie en een emotionele functie. Een verschil tussen het Chinese denken en het westerse denken kun je in de Libbrecht-taal b.v. zien als een verschillend evenwicht tussen die twee functies.
Een ‘appetizer’:
Hieronder een stukje proza uit de Tao Te Ching van Lao Tze. (Bedenkt U wel dat iedere vertaler zijn eigen bewoordingen kiest voor de Chinese karakters):
Iets is op geheimzinnige wijze tot ontstaan gebracht,
lang voordat de Hemel of de Aarde werd gemaakt.
Het is stil en zonder vorm, het kent zijns gelijke niet.
Het is altijd aanwezig, eindeloos in beweging.
Hieruit is, als uit een moeder, al het levende voortgekomen.
Ik weet niet hoe ik het noemen moet.
Ik noem het daarom Tao.
Aarzelend noem ik het het Grootste.
Omdat het het grootste is, gaat het overal heen.
Stil maakt het alles vol.
--------------------------------------------------------

Taoïsme in het hedendaagse China
Fragment uit Wat is Taoïsme? van Martin Palmer, pag. 135-137
 
Neem een gemiddeld gezin in Hongkong. 's Morgens, waarschijnlijk voor het ontbijt, zal het gezin of een gezinslid een offerande brengen aan de god van de aarde, van het huis of van de flat. Zo'n offerande zal vaak eenvoudigweg bestaan uit enkele wierookstokjes, die met een gebed worden aangeboden, hoewel thee en gebak ook niet ongebruikelijk zijn. De god van de aarde is een volstrekt taoïstische godheid. Hij of zij stelt de oerkracht of de oergodheid voor, die deze bepaalde plek bewoont. Elke activiteit die wordt gepland, behoeft de goedkeuring van de god van de aarde. De god van de aarde legt verantwoording voor het welzijn van zijn of haar gebied af aan de god van de wijk. Die is verantwoording verschuldigd aan de god van de stad, deze weer aan de god van de provincie - enzovoort. (microkosmos - macrokosmos! PR) Het taoïstische pantheon weerspiegelt nauwkeurig het keizerlijk gezag zoals dit door de ambtenarenrangen afdaalde, zoals wij verderop zullen zien.
Nadat het gezin tot de god van de aarde heeft gebeden, offert het misschien iets aan de voorouders. Ofschoon voorouderverering ouder is dan het taoïsme, is een groot gedeelte van de rituelen afgeleid van taoïstische rituelen. Wanneer de gezinsleden zich opmaken om het huis te verlaten, zullen zij waarschijnlijk eerst de almanak raadplegen om te zien wat voor soort dag het gaat worden en welke uren het gunstigst zijn. De almanak, die aan zijn rode koord naast de voordeur hangt, bevat niet slechts enorm veel taoïstische overtuigingen, tovermiddelen en waarzeggerij, hij is ook zelf een tovermiddel. Als een gezinslid op een bepaalde dag een belangrijke reis gaat maken, of met een nieuwe onderneming gaat beginnen, dan zal de datum zijn vastgesteld na raadpleging van de almanak, de Tungshu. Geen enkele belangrijke beslissing wordt genomen zonder dat de almanak eerst is geraadpleegd.
Het huis zelf en de werkplek zullen door een fengshui-meester zijn geïnspecteerd. Fengshui, dat letterlijk vertaald wind/water betekent, is het systeem waarmee de krachten die in het land en de omgeving huizen en deze besturen, in verband worden gebracht met de horoscopen van de mensen die daar leven. Fengshui is niet alleen van invloed op wat wordt gebouwd, maar ook waar dat gebeurt. Het probeert kwade invloeden en vijandige krachten te bestrijden met behulp van machtige taoïstische toverformules en rituelen.
Wanneer het gezin het huis verlaat en naar het werk gaat, zal het bijna zeker mensen zien die aan tai-chi chuan doen. Deze meditatieve lichaamsoefeningen zullen op een open plek worden uitgevoerd, of dit nu een park is of het einde van een perron. Het doel van tai-chi chuan is ervoor te zorgen dat de levensenergie, ch'i, door het hele lichaam blijft stromen, waardoor het essentiële evenwicht en de essentiële harmonie binnen het lichaam gehandhaafd blijven. Deze ideeën hebben hun wortels in taoïstische overtuigingen en praktijken; tai-chi chuan werd namelijk in de kloosters van het taoïsme ontwikkeld.
Als iemand in het gezin ziek is, zullen de meeste gezinnen hun toevlucht nemen tot een combinatie van traditionele Chinese en westerse geneeskunde. Met het toepassen van traditionele geneeskunde grijpen zij terug op overtuigingen over hoe de verschillende krachten in het lichaam in evenwicht moeten worden gehouden en over het wezen van het lichaam. Deze overtuigingen spruiten rechtstreeks uit het taoïsme voort. Zo zegt het taoïsme dat het lichaam een microkosmos is van het universum, en dat er binnenin ons duizenden godheden huizen die een nauwkeurige afspiegeling vormen van de hemelse orde. De relatie tussen taoïsme en traditionele geneeskunde is zelfs zo innig, dat het boeddhistische monniken, die erop gebrand waren hun eigen identiteit te onderstrepen en te bewaren, verboden werd de geneeskunst uit te oefenen.
Laten wij eens aannemen dat ons gezin, ondanks de fengshui, door een geest wordt gekweld. Dit is geen ongewone ervaring in de Chinese maatschappij. Om ermee af te rekenen, zullen de gezinsleden waarschijnlijk de hulp inroepen van de plaatselijke taoïstische priester. Een. echte taoïstische meester zal aan de beschrijving van de activiteiten van de geest genoeg hebben om te weten wat voor soort geest het is, en wat hij dus moet doen en welk tovermiddel hij moet gebruiken.
Aan de meeste belangrijke feestelijkheden zullen taoïstische toverformules, rituelen en gebeden te pas komen. Op Nieuwjaar wordt bijvoorbeeld de keukengod vereerd. Deze godheid waakt over het huiselijk gedrag van het gezin. Kort voor Nieuwjaar wordt, teneinde de god naar de Hemel te sturen, zijn papieren evenbeeld of een geschreven opdracht verbrand.
Alleen al tijdens deze korte reis langs het Chinese gezin kunnen wij zien hoe taoïstische ideeën en overtuigingen het leven van de gezinsleden vorm en betekenis geven. Zet hier de rol van toekomstvoorspelling en waarzeggerij naast, die vaak in rechtstreeks verband wordt gebracht met een taoïstische godheid, zoals Wong-tai-sin, plus de plaats die de verhalen en legenden van de taoïsten in de volkscultuur hebben, en u kunt zien dat het taoïsme een wezenlijk deel uitmaakt van de Chinese cultuur.
-------------------------------------------------------
BRONNEN:
Bor & v.d. Leeuw: 25 eeuwen Oosterse filosofie. ISBN 9053528229
Ton Vink: Chinese levensbeschouwing, ISBN 9055730955
Winkler Prins Encyclopedie
Martin Palmer: Wat is Taoïsme? ISBN 9021520354
Fromm,Suzuki: Zen Boeddhisme en het Westen, ISBN 9061315573
Ulrich Libbrecht: Een glimlach uit het Oosten, ISBN 905826064X


 


Voor het onderhoud van deze website zijn wij afhankelijk van donaties. Klik hier voor meer informatie