Login

De Gebroken Kolom

Verzamelpunt voor bouwstukken

Het Griekse denken in vogelvlucht

 

 

auteur: Piet Romeijn, april 2007
[de cijfers tussen haakjes zijn paginanummers]
 
Inleiding
Ik schrijf mijn verhaal in hedendaags Nederlands, met zoveel mogelijk vermijding van jargon. U dient daarom steeds twee dingen in gedachten te houden:
1. Het onderscheid dat wij tegenwoordig maken tussen filosofie, religie, psychologie, theologie en nog meer disciplines bestond bij de oude Grieken nog niet.
2. Moderne geleerden hebben allerlei termen en begrippen vaak op het Grieks gebaseerde namen gegeven, maar U dient te bedenken dat die lang niet altijd dezelfde betekenis hebben als bij de oude Grieken. Zelfs binnen het antieke Griekenland veranderden sommige betekenissen al in de loop van de tijd.
We moeten ook bedenken dat het Griekse denken niet zomaar uit de lucht is komen vallen of uit het niets is opgedoken. De eerste Griekse filosofen' leefden aan de rand van een wereld die al tweeduizend jaar aan sterrenkunde en rekenkunde deed, en ook mythen en een schrift kenden. De westkust van Anatolië, met de bekende twaalf steden, was eindpunt van karavaanwegen uit heel het Aziatische continent, waarvan Europa maar een uithoek was. De welvarende Ionische steden wemelden van Babyloniërs, Soemeriërs, Hittieten en Feniciërs. En wat wij de klassieke Grieken noemen was een mix van geïmmigreerde Ioniërs, Acheeërs, Aeoliërs, Doriërs e.d., die allemaal hun eigen cultuur meebrachten. We weten daar weinig van, alleen dat ze godheden, culten en mythen van Indo-Europese en Kretenzische beschavingen meebrachten, dat er ook nog een Mykeense beschaving heeft geheerst, en dat er Egyptische invloeden meespeelden. Een voornaam kenmerk van het Griekse denken was dus verscheidenheid.
Pasfoto van het Griekse denken, een globale schets:
Als religie functioneerden tenslotte naast elkaar: volksgodsdiensten met een bont mengsel van rituelen, en bij de elite de Olympische goden uit het Homerische epos. De filosofie is begonnen in twee scholen: de Ionische school, langs de Turkse westkust, en de Italiaanse school in Zuid-Italië en op Sicilië. De Ioniërs bereikten het eerst een hoge beschaving, mede te danken aan hun vroege start tussen oudere culturen. Hun denkers waren niet tevreden met mythologie, kozen voor een rationele benadering, en leverden aldus de eerste vertegenwoordigers van rationele natuurfilosofie in de Griekse wereld.
De stadstaten van Zuid-Italië waren van latere datum, hadden geen hoog ontwikkelde buren, en ook minder welvaart. Veel meer dan in Ionië heersten er cultische godsdiensten, vooral de cultus van Orfeus, een derivaat van de cultus van Dionysos uit een verder verleden. Dat leverde het mystieke en metafysische element in het Griekse denken. De Griekse filosofie bereikte zijn hoogtepunt in Athene. Raakte geïnstitutionaliseerd. Werd zo'n beetje de religie voor de ontwikkelde Griek. En raakte verstrengeld met politieke machtsverhoudingen.
Die filosofie werd geheiligd door Socrates, geïnstitutionaliseerd onder Plato, wetenschappelijk onderbouwd door Aristoteles, aangetast door scepsis, onthechtte zich in het epicurisme, evolueerde richting wetenschap in Alexandrië, en eindigde in onderwerping aan het Romeinse Rijk. De geboorte van het christendom voorspelde het einde van de Griekse filosofie.
Het Griekse denken was onvergelijkbaar anders dan het onze. Toch heeft het een onuitwisbaar stempel gedrukt op de westerse cultuur. Die mede daardoor een ander karakter heeft gekregen dan andere wereldculturen. Velen hebben nagedacht welke factoren daar een rol in speelden. Ik noem er een paar die ik tegenkwam:
1. de innerlijke afstand die de Grieken al vroeg konden bewaren t.o.v. hun eigen traditie, waardoor ze afwijkende en nieuwe zeden en ideeën objectief konden beschouwen. Dat bleek b.v. uit het gemak waarmee ze de Egyptische godenwereld accepteerden nadat Alexander de Grote Egypte had veroverd.
2. hun belangstelling voor het verklaren van raadselachtige, soms angstwekkende verschijnselen, zonder gehinderd te worden door magie of bijgeloof (de oudste Griekse geneeskunde b.v. was al vrij van magie, en hun astronomie vrij van astrologie)
3. hun neiging tot systematisering, bij onze huidige wetenschappers nog steeds welbekend.
Dat wat betreft de rationele kant.
Vergeer (V108) is uitvoerig over de religieuze kant. Hij legt uit dat een Griekse god iets heel anders is dan wat het christendom ons leert te denken bij het woord God. Er is een flinke kloof in betekenis tussen de woorden theos en deus. Theos is en deus doet. Hij vindt dat je bij de Grieken beter van religie kunt spreken dan van godsdienst. De Griekse man van de wereld had een vage religiositeit, maar hij combineerde die wél met respect voor de cultus. Hij nam daar deel aan als het zo uitkwam, niet uit overtuiging maar uit respect. (GM293). En net als in andere culturen was er ook volksreligie, met diep ontzag voor irrationele, duistere machten.
De homerische periode.
Voordat in Griekenland het filosofische denken doorbrak, boden alleen mythen oriëntatie aan de mensen. Centraal stond het wel en wee van de godenwereld. Wat daar gebeurde, verklaarde de aardse zaken.
De twee meest gezaghebbende mythendichters waren Homerus en Hesiodus. Homerus heeft als eerste de baaierd van geesten en godheden tot één familie onder Zeus samengevat, en hij heeft ook een beslissende rol gespeeld bij de pogingen om de Griekse godsdienst te zuiveren van bijgeloof en tovenarij. (GM291) Opmerkelijk is dat Homerus ons een heel ander mens voorhoudt dan Hesiodus. Bij Homerus de vrije man', die zijn lot in eigen hand heeft, maar bij Hesiodus de verantwoordelijke mens, die onderworpen is aan het oordeel van de goden.
Die twee mensbeelden raakten in de eeuwen erna verenigd. Dan moet het individu onafhankelijk en zelfgenoegzaam worden, logisch inzicht verwerven om de werkelijkheid te kunnen kennen, en de waarheden omtrent het goede en het schone aan zichzelf als wet voorschrijven.
Samengevat huist in het Griekse bewustzijn enerzijds het besef dat de moedige mens zijn lot in eigen hand heeft, maar anderzijds ook het besef dat de mens is overgeleverd aan de goden, en zich moet verantwoorden voor zijn ongerechtigheden.
De Ionische School
Russell zegt zoiets als dat de Miletiërs de eerste echte wetenschappers waren, maar dan moeten we niet denken aan het beeld van onze huidige wetenschappers, met hun theorieën en paradigma's. De verwondering, het begin van alle filosofie, ging bij de Ioniërs over dat het is, nog niet over wat het is. Dat een zaadje een hele boom bevat, dat seizoenen komen en gaan, dat leven en dood elkaar afwisselen, was volgens hen niet het werk van geesten, goden of mensen, maar iets anders, en ze dachten erover na wat dat 'eerste beginsel' zou kunnen zijn. Dát was die glorieuze rationele kant van het Griekse denken. En die werkte met deductie van visionaire uitgangspunten, nog niet met inductie. (En ook nog niet met reductie)
Thales wordt wel de eerste westerse filosoof genoemd. Hij probeerde de werking van de natuur te verklaren uit één beginsel (archè). En hij dacht dan aan water. Niet zo gek, want de langste tijd dat er leven op aarde was, was dat alleen in water. Zijn geschriften geven verklaringen van aardbevingen, zonsverduisteringen en overstromingen van de Nijl. Hij was de eerste Griek die de oosterse wetenschap op het gebied van wiskunde en sterrenkunde in bestudeerde en uitwerkte. Tot grote verbazing van zijn tijdgenoten voorspelde hij een zonsverduistering op de juiste datum in 585 vC (GM295).
Heraclitus was de filosoof van de strijd en van de veranderlijkheid. Volgens hem heeft de wereld altijd bestaan, en doorloopt hij voortdurende bewegingen van strijdbare veelheid van verschijnselen naar vreedzame eenheid als zuiver vuur, en vice-versa. (GM295) Duidelijk wordingsdenken: verander 'vuur' in chi, 'strijd' in yin en yang, en je hebt het Chinese wereldbeeld. Interessant lijkt mij zijn visie dat alles in de kosmos doordrongen is van tegengestelden, zoals oorlog en vrede, duisternis en licht. Iets kan zonder zijn tegendeel niet gedacht worden. De tegendelen horen bij wat hij de logos noemt. (FL95)
Anaximander. Vulde Thales' beeld van de kosmos aan met o.a. een vermetele leer van een oneindig aantal werelden uit één oorsprong. Denk aan onze Big Bang. (GM295). In zijn visie zag hij een onbegrensde en ongevormde oerstof (apeiron) waaruit alles in de wereld ontstaat en ooit weer in opgaat. En ook hij hanteerde het begrip van eeuwige strijd tussen tegenstellingen. (FL9)
De Italiaanse school
Toen de handel en scheepvaart van de Grieken een hoge vlucht namern, en langs alle kusten van de Middellandse Zee Griekse steden ontstonden, kregen de Grieken met vreemde volken te maken, met eigen denkwijzen, levensvormen en godsdiensten. Die allemaal meenden de wijsheid in pacht te hebben. De Grieken gingen twijfelen en begonnen zich open te stellen voor het erfgoed van andere volken, net zoals dat was begonnen in de Ionische steden van Klein Azië. Thales b.v. had als ervaren koopman o.a. Egypte bezocht en daar nieuwe inzichten opgestoken.
Ook Pythagoras, die leefde tussen 580 en 500 v. Chr., moet Egypte hebben bezocht, alsook het Verre Oosten (hij studeerde een poos aan het Babylonische hof in de tijd dat de profeet Daniël daar verbleef). Na lange zwerftochten vestigde hij zich uiteindelijk in Zuid-Italië. Pythagoras was volgens oude overleveringen de eerste die het woord 'filosoof' min of meer gebruikte zoals wij dat gebruiken. Hij vond het aanmatigend zich te tooien met de naam sophos, wijze'. Daarom noemde hij zich bescheiden philosophos, 'vriend of minnaar van de wijsheid'.
De wiskundige, astronoom en 'filosoof' Pythagoras zag de bouwstenen van de wereld en het geheim van het heelal in de getallen. Elk van de grondgetallen 1 tot 10 heeft zijn bijzondere kracht en betekenis, met name het 'volmaakte' getal 10. De harmonie van de wereld Pythagoras was de eerste die de wereld een kosmos (geordend geheel) noemde is gebaseerd op getalsverhoudingen. Deze verhoudingen zag Pythagoras allereerst in de muziek, en vervolgens laat hij zien hoe deze muzikale opbouw ook in het heelal terug te vinden is. Volgens hem is er sprake van een volmaakte harmonie der sferen'. Hemellichamen produceren acht geluiden, die samen een octaaf vormen, en daarom in harmonie zijn. (FL148).
Het geheim van de wereld is volgens Pythagoras dus niet gelegen in een stoffelijk oerbeginsel, maar in een oerwet, nl. in de getalsmatige verhoudingen tussen de bestanddelen van de wereld. Daarmee liep hij vooruit op de moderne wetenschap en haar periodiek systeem van de elementen.
Dat Pythagoras het geheim der dingen in het onzichtbare en onstoffelijke zoekt, zal nauw samenhangen hebben met zijn religie, die zowel Orphische als Indische invloed verraadt. Volgens Pythagoras is de mens in essentie een ziel die steeds weer reïncarneert en daarin een louteringsproces doormaakt. Omdat de ziel ook de gestalte van een dier kan aannemen, is het doden, offeren of eten van een dier verboden. Doel van het leven was volgens Pythagoras, dat de ziel door reinheid en vroomheid zichzelf verlost van de kringloop der wedergeboorten. Duidelijk verwant aan Indiase filosofie.
Anders dan bij de Miletische school moet in de Italiaanse school alleen Pythagoras als spilfiguur genoemd worden. De historische werking van deze raadselachtige man is enorm. Russell zegt letterlijk "Hij was intellectueel een van de belangrijkste mensen die ooit geleefd hebben, zowel in zijn wijsheid als in zijn onwijsheid". Als een combinatie van mystiek profeet en zuiver wiskundige was hij een topvertegenwoordiger van de Griekse geest. (R48).
Dat die Griekse geest de wereld kon veranderen is volgens Russell te danken aan juist die unieke combinatie van wat hij noemt passie en verstand. Als symbool van die Griekse geest moet je niet aan Zeus denken, zegt hij, maar aan Prometheus, die het vuur uit de hemel stal en beloond werd met eeuwige marteling. (R36)
Pythagoras leerde als eerste Griek de onsterfelijkheid van de ziel. Hij introduceerde de gedachte van zielsverhuizing, en stichtte een kloosterachtige orde waarin hij aan zijn discipelen leerde hoe zij door een reine ziel na hun dood in hogere wezens belichaamd konden worden. (GM295/296). Het bijzondere was dat hij dit alles combineerde met wiskunde. Russell beschrijft het Pythagorisme als gefundeerd op het Orfisme, dat op zijn beurt weer een min of meer vergeestelijkte variant is van de woeste en primitieve cultus van Dionysos.(R30)
De pythagorese combinatie van wiskunde en mystiek heeft eeuwenlang haar stempel gedrukt op de westerse filosofie, tot in de moderne tijd toe. Het Orfisme vóór Pythagoras was analoog aan Aziatische mystieke godsdiensten. Maar bij Plato, Augustinus, Thomas van Aquino, Descartes, Spinoza en Leibniz vinden we een mengeling van religie en verstandelijkheid die begonnen is met Pythagoras, en die de 'theologie' van Europa onderscheidt van de meer rechtstreekse 'mystiek' van Azië. (R50) Was Pythagoras er niet geweest, dan zouden de Christenen Christus niet hebben kunnen duiden als Het Woord. En andersom zouden zonder hem de theologen niet hebben gezocht naar logische bewijzen van God en onsterfelijkheid. (R51)
Parmenides
Twee dingen begonnen duidelijk te worden:
1. Het Griekse denken, met zijn nadruk op logische zuiverheid, kon opkomen door de ontdekking van de oosterse wiskunde.
2. Het voorbeeld van Thales en Pythagoras maakt duidelijk, dat de wiskunde bij de Grieken het verlangen kweekte naar een meer abstracte manier van denken.
Bij Pythagoras zien wij bovendien, dat de Grieken in de wiskunde (of het zuiver logische denken) de weg tot volmaakt weten gaan zien. Denken en werkelijkheid blijken onderworpen aan dezelfde logische orde, zodat de logische gedachte vanzelf de waarheid omtrent de werkelijkheid onthult.
Parmenides van Elea (Zuid-Italië), ongeveer een halve eeuw na Pythagoras, heeft deze gedachte tot in uiterste consequentie uitgewerkt. Hij was ook de eerste die het heil van de mens liet afhangen van het volmaakte (logische) weten. Parmenides gaf als eerste een revolutionair andere interpretatie aan de boodschap van Hesiodus. Die dichter stelde het ooit zo voor, dat de mens in ellende verkeert door zijn Titanische hartstochten. Parmenides meent, dat de mens in ellende verkeert doordat hij de volmaakte kennis is kwijtgeraakt.
Op de vraag wat dat volmaakte weten voorstelt, heeft Parmenides zonder twijfel het meest abstracte en onvoorstelbare antwoord gegeven. Zijn wijsheid is gebaseerd op twee uitgangspunten (axioma's) die volgens hem eenieder zonder dwang zal willen aanvaarden:
1. wat bestaat, bestaat niet niet, en
2. alleen wat bestaat kan worden gedacht.
Op grond van deze twee axioma's beredeneert hij op voor mij duistere wijze dat al wat bestaat logisch moet zijn. Is het dat niet, dan is het een schijnwerkelijkheid, zoiets als Maya bij boeddhisten. Deze zijnsleer (ontologie) van Parmenides heeft grote invloed gehad op het westerse mensbeeld, o.a. omdat die gewicht kreeg in de theologie van Aristoteles.
Athene komt in beeld
Begin 5e eeuw verschoof het zwaartepunt van de Griekse filosofie naar het rijk en machtig geworden Athene. De 5e eeuw was voor Athene een cultureel hoogtepunt, maar politiek een eeuw van ellende. Die begon met de nederlaag tegen de Perzen in 490 en eindigde met de nederlaag tegen Sparta in 404. Een symptoom van de ontreddering was het doodvonnis van Socrates in 399. (R89) De glorie van Athene was meer te danken aan artistieke dan aan intellectuele prestaties. (Aeschylos, Sophocles, Euripides, Phidias) Geen van de grote wiskundigen of filosofen van de 5e eeuw was uit Athene afkomstig (behalve Socrates). (R89)
Russell vindt niettemin de culturele prestaties van Athene tot op de dag van vandaag ongeëvenaard, ondanks de troebelen. (R70/71) Alexandrië overtrof Athene op het gebied van wis- en natuurkunde, maar dank zij Plato en Aristoteles was Athene op filosofisch gebied onovertroffen, en bleef dat totdat in 529 na Christus de Academie van Plato definitief gesloten werd door keizer Justinianus. (R72)
De atomisten
Leucippus en Democritus (R75) Hun standpunt leek merkwaardig veel op de moderne natuurwetenschap. Ze geloofden dat alles bestond uit atomen die ondeelbaar waren, en dat zich tussen die atomen lege ruimte bevond. (R76) Democritus was radicaal materialist. Volgens hem bestond ook de ziel uit atomen, en was denken een fysisch proces, geregeerd door mechanische wetten. Hij aanvaardde het volksgeloof niet, en polemiseerde tegen de nous, die 'geest' van Anaxagoras, die als een substantie macht zou hebben over levende dingen.. (R82)
Kentering
Na de atomisten begint geleidelijke aftakeling. Eerst bij de sofisten hun pessimisme, dan bij Socrates eenzijdig de ethiek, bij Plato het verwerpen van de zintuigelijke wereld ten gunste van een alleen maar gedachte ideeënwereld, en bij Aristoteles het geloof in doelmatigheid als grondslag voor alle wetenschap. Je zou het m.i. met evenveel recht ook bestendiging na bloei kunnen noemen, maar er was toch ook verval van kracht en een geleidelijke verruwing van het volksbijgeloof. Pas in de renaissance herwon de filosofie de kracht en de onafhankelijkheid van vóór Socrates. (typering van Russell 82/83)
Vóórdat het sofisme opkwam, hadden filosofen een bijzondere status, een beetje als goeroes in India. In een min of meer besloten gemeenschap, vaak met bepaalde regels, werd eerbiedig naar hen geluisterd. In Athene kwam dat in botsing met een sceptische stroming, het sofisme. De sofisten verkochten kennis waarmee je alle kanten uit kon. Ze leerden je ieder standpunt te beargumenteren, maar even goed het tegenovergestelde te verdedigen. Geen wonder dat de sofisten door de filosofen afgekraakt werden, Plato voorop. (R84) Dat dispuut duurt nog steeds voort. (V65) Over de tegenstelling natuur tegenover cultuur, aangeboren versus aangeleerd, natuurlijk versus gemaakt, vanzelfsprekend versus vastgesteld.
In de 6e eeuw vC was phusis het kernwoord van de presocraten; hun verhandelingen hadden titels als 'over de natuur' of 'over de ware aard van de dingen', de dingen zoals ze van nature zijn. Maar de sofisten van de 5e eeuw kozen nomos, wet, als bepalend begrip van hun denken. De Stoa bleef het gedrag van de mens normeren aan wat hem van nature eigen is. En zelfs op het hoogtepunt van het Griekse denken is in de filosofie van Aristoteles de phusis nog steeds een kernbegrip. Maar Plato was fel anti-sofisme, want in het sofisme is geen plaats voor mystiek. (V65/66)
De keus tussen natuur of cultuur is nooit gemaakt, en de woorden phusis en nomos veranderden zelfs in de Griekse tijd al van betekenis. (V70) Vergeer schrijft daar pagina's vol over. Hij geeft ook een veel objectiever beeld van de sofist Protagoras, die hij o.a. verbonden acht met het ontstaan van de dialectiek, waarheid vinden door dialoog.(V74). Protagoras is vooral bekend om zijn bewering dat de mens de maat is van alle dingen. Een moslim en een christen kunnen elk een eigen waarheid hebben zonder dat de ene méér waar is dan de andere. Dat is relativisme. (R86)
Socrates
Socrates schreef niet. We zullen dus nooit weten of Plato hem historisch uitbeeldt of hem eigen opvattingen in de mond legt. (R93) De Platonische Socrates houdt vol dat hij niets weet, maar hij acht streven naar kennis van grote betekenis. Niemand zondigt bewust en opzettelijk, maar uit onwetendheid. Daarom is kennis nodig om mensen deugdzaam te maken. (R99) Die nauwe samenhang van kennis en deugd is karakteristiek voor Socrates en Plato, en tot op zekere hoogte een element van al het Griekse denken. In tegenstelling met het christelijke denken waarin het voornamelijk op een rein hart aan komt en niet op het verstand. (R100)
Plato
Begonnen als dichter, werd hij op z'n 20e leerling van Socrates. Aan Pythagoras ontleende hij de religieuze tendens en het geloof in onsterfelijkheid. Aan Parmenides dankte hij het geloof dat de werkelijkheid tijdloos is, en dat verandering illusie is. Met Heraclitus had hij de opvatting gemeen dat er niets blijvend is in de wereld van de zintuigen. Dat leverde voor Plato de conclusie dat je voor kennis niet op je zintuigen moet vertrouwen, maar op je intellect. En dat was weer in overeenstemming met het Pythagorisme. Aan zijn leermeester Socrates dankte hij waarschijnlijk zijn voorkeur voor ethische vraagstukken. Het 'Goede' beheerste zijn denken méér dan dat van vroegere filosofen. (R111/112)
Plato's belangrijkste dialoog De Republiek, zijn leerstuk hoe je een staat moet inrichten, hangt filosofisch sterk aan het begrip rechtvaardigheid. Bij Plato zijn verschillen in macht en privileges niet strijdig met rechtvaardigheid, terwijl in onze tijd rechtvaardigheid min of meer met gelijkheid verbonden wordt. (R119) Plato's Republiek was welbeschouwd niet eens zo fantastisch als wij geneigd zijn te denken. Want veel ervan was in Sparta al verwezenlijkt, en Pythagoras had al eens een bewind door filosofen geprobeerd. (R123). Russell concludeert dat de vraag hoe je een stel wijze mensen kunt vinden om een staat te laten besturen, niet te beantwoorden is. Die constatering is de uiteindelijke rechtvaardiging van de democratie. (R113) (Ik onderschrijf die conclusie)
Plato's ideeënleer
Elf pagina's uitleg van Russell is te veel. Ik probeer een kortere. Het woord 'kat' kan slaan op één concrete kat, of op een stel algemene eigenschappen die alle katten gemeen hebben, dus het 'idee' kat. Dat stel eigenschappen is eeuwig. De kat die je concreet ziet lopen is niet meer dan een kopie, een spiegelbeeld a.h.w. van het eeuwige 'idee kat'. Van het 'idee kat' kun je kennis hebben, maar van de katten die je ziet rondlopen, alleen maar meningen. (R126). In het Grieks heet de ware kennis episteme, de schijnkennis van de zintuigen doxa.
Plato heeft de wereld uiteen laten vallen in de wereld waarin we leven, een wereld van schaduwen en schijn, en de ware wereld waarop de wijzen zich richten. Of hij dat zelf ook zo zag, staat ter discussie, maar zo is hij gelezen, en zo is het overgenomen in het christendom, met zijn aardse tranendal en de hemel. Cornelis Verhoeven voelde meer voor de ideeënleer als de tegenstelling tussen de wereld 'op het eerste gezicht' en dezelfde wereld 'bij nader inzien'.
Russell besluit zijn uitleg met de verzuchting ik ben het niet eens met veel van wat Plato zegt, maar ja, het is nu eenmaal het lot van alle grote mannen dat men ze behoort te prijzen, maar niet behoeft te begrijpen. (R111)
Plato's theorie over de onsterfelijkheid
De dialoog Phaedo gaat over de laatste ogenblikken van Socrates voordat hij de gifbeker dronk. In zedelijk opzicht belangrijk, voor toen en eigenlijk voor alle tijden. Wat het evangelieverhaal van het lijden en de kruisiging betekende voor de christenen, was de Phaedo voor de antieke filosofen. De theologie van Paulus en van de kerkvaders kan moeilijk worden begrepen als je Plato niet kent. (R135)
Aristoteles
Aristoteles leefde tegen het einde van de creatieve periode in het Griekse denken, en na zijn dood zou het 2000 jaar duren voordat de wereld weer een filosoof van vergelijkbaar kaliber voortbracht. Zijn gezag werd bijna onaantastbaar, maar belemmerde ook verdere vorderingen. Al vanaf de 17e eeuw moest nagenoeg iedere nieuwe denkstap eerst duelleren met een of ander leerstuk van Aristoteles. (R160)
Als filosoof week Aristoteles in veel opzichten af van al zijn voorgangers. Hij was de eerste die schreef zoals tegenwoordig een professor dat doet. Hij was leraar, geen profeet. Kritisch, nauwgezet en nuchter. De Orfische elementen van Plato worden bij hem gedempt. Hij was op zijn best in het detailwerk en in zijn kritieken, maar hij schoot tekort in de grote lijn, omdat het hem ontbrak aan fundamentele klaarheid en titanisch vuur. (R162)
De metafysica van Aristoteles kan ruwweg worden omschreven als die van zijn leermeester Plato, maar dan aangelengd met nuchter verstand. (R162) Zijn voornaamste argument voor het bestaan van God is als Eerste Oorzaak, de 'Prime Mover'. Er was iets nodig dat beweging doet ontstaan maar zelf onbewogen is en eeuwig. (R167)
De ethiek van Aristoteles
Zijn Ethica Nicomachea is de eerste uiteenzetting over ethiek in de westerse filosofie. Gaat over de zoektocht naar menselijk geluk. Zijn opvattingen daarover geven in het algemeen de heersende opvattingen weer van de mensen uit zijn dagen. Ze bevatten geen mystieke religie, en bepleiten ook geen onorthodoxe theorieën over bezit of gezin zoals bij Plato. (R171)
Er bestaan twee soorten deugden, intellectuele en zedelijke. Intellectuele deugden ontstaan door onderricht, zedelijke deugden door gewoonte. (R171) En hij verkondigt zijn beroemde leer van het gulden midden. Elke deugd is het midden tussen twee uitersten. Vrijgevigheid tussen verkwisting en gierigheid b.v. Dat gulden midden hoort volgens hem bij de weg naar geluk. Net als bij Plato impliceert rechtvaardigheid bij hem geen gelijke behandeling, zoals bij ons wél. (R172)
Zijn beschrijving van de 'grootmoedige' mens is interessant omdat die tekenend is voor het verschil tussen heidense en christelijke ethiek, en voor de mate waarin Nietzsche gelijk had toen hij het christendom een slavenmoraal noemde. (R173). Voor Aristoteles is ethiek een onderdeel van politiek, en het is dus niet verbazend dat hij monarchie de beste regeringsvorm vond en aristocratie op één na de beste. Pas daarná kwam democratie. (R174)
Russell stelt dan een interessante vraag: Kunnen we een samenleving bevredigend noemen die door haar hele opzet de beste dingen voor de weinigen reserveert en van de meerderheid verlangt dat ze tevreden is met het mindere? Plato en Aristoteles beantwoorden dit bevestigend, en Nietzsche ook. De Stoïci, de christenen en de democraten zeggen van niet. (R174) (Ik beschouw het als een onwenselijk maar onvermijdelijk gegeven)
Veel van Aristoteles' ethiek wordt gewijd aan de bespreking van de vriendschap. Volmaakte vriendschap is alleen mogelijk tussen goede mensen. Bij ongelijke verhoudingen behoort de hogere het meest geliefd te worden. Je kunt alleen vriend van jezelf zijn als je een goed mens bent. Citaat: Niemand zou de hele wereld kiezen op voorwaarde van alleen te moeten zijn, want de mens is een politiek wezen en zijn natuur is aangelegd op het samenleven met anderen. (R177) (Is door de moderne biologie bevestigd)
De logica van Aristoteles
De invloed van Aristoteles was groot op vele terreinen, maar het grootst op het gebied van de logica, zelfs tot maar heel kort geleden. (R191) Keerzijde was dat het 2000 jaar heeft geduurd voordat we weer een stapje vooruit gingen.
Zo zien wij, hoe bij Plato en Aristoteles de ideeën van diverse filosofen op twee verschillende manieren tot één groot bouwwerk met tot nu toe onuitwisbare invloed werden samengevoegd.
De Hellenistische periode - Cynici en Sceptici
Voor de burgers was dat een ellendige tijd. Duurde ongeveer twee eeuwen nadat koning Philippus van Macedonië rond 350 vC een eind had gemaakt aan de vrijheid van de stadstaten. De filosofie verzwakte. De hoogtepunten van Socrates en Plato op filosofisch gebied waren geweest, en Aristoteles had er een wetenschappelijke basis onder gelegd. De Grieken leverden hun grootste prestaties verder op het gebied van de wiskunde en natuurwetenschap.
De hoofdgedachte van hellenistisch Griekenland werd toen zoiets als "de wereld is slecht, laten we leren er onafhankelijk van te zijn". Het individu kwam in het centrum van de aandacht, met vragen als hoe een mens deugdzaam kon zijn in een boze wereld, of gelukkig kon zijn in een wereld van lijden. Een filosofisch aanloopje naar het latere christelijke evangelie van persoonlijke verlossing.
De school van de Cynici had als meest bekende figuur Diogenes in zijn ton. Die vond deugdzaamheid en morele vrijheid in het afstand doen van begeerte. Wees onverschillig voor de goederen die de fortuin je kan schenken, en je zult geen vrees meer kennen. (R223) Het beste uit die leer werd overgenomen door het Stoïcisme. (R224)
Het Scepticisme werd uiteraard een succes, vooral voor de tobbers (R224). Als illustratie noem ik de drie principes die voorman Pyrrho formuleerde als sleutel naar ataraxia, gemoedsrust:
1. Aanvaard dat zekerheid onbereikbaar is
2. Schort je oordelen op en zoek liever gemoedsrust dan waarheid
3. Omdat alle theorieën waarschijnlijk fout zijn, kun je net zo goed de mythen en conventies accepteren van de plek waar je bent. (OS233)
Russell typeert de hellenistische periode ook heel aardig met de zin: "Toen de Olympische goden eenmaal in diskrediet waren gebracht, lag de weg open voor een invasie van oosterse godsdiensten, die met elkaar wedijverden om de gunst van de bijgelovigen, totdat het christendom zijn zegetocht begon". (R229) Dit klopt heel aardig met de beschrijving van het hellenisme in de geschiedenisboeken.
De Epicuristen
Ze streefden naar rust en geluk, en niet naar deugdzaamheid zoals de Cynici of de Stoa. De haat van de latere christenen heeft van Epicurus een m.i. karikaturaal beeld geschapen. Ik laat het bij vier kernachtige uitspraken van hem: (V181)
- vrees geen god
- de dood deert niet
- het goede is onder handbereik
- het vreeswekkende is te verdragen
Het Stoïcisme
Het Stoïcisme heeft een eeuwenlange ontwikkeling gehad. Wat de Griekse stichter Zeno begin 3e eeuw vC leerde, verschilde flink van wat Marcus Aurelius vier eeuwen later verkondigde. Maar de ethische uitgangspunten veranderden maar weinig. Van het oudere werk van de Griekse Stoïcijnen zijn maar enkele fragmenten overgeleverd. Socrates was hun voornaamste heilige vanwege zijn houding in het aangezicht van de dood, zijn bewering dat wie onrecht doet, zichzelf het meest schaadt, zijn eenvoud in voedsel en kleding e.d. Ze hebben de ideeënleer van Plato nooit aanvaard. (R240)
Zeno probeerde tegenover de metafysische tendensen van zijn tijd het nuchtere gezonde verstand te plaatsen. Hij was overtuigd dat zoiets als toeval niet bestond, en dat de loop van de natuur geheel werd bepaald door natuurwetten. Net als de pre-Socratici dus. (R241)
In het persoonlijke leven was de deugd het enige dat van belang was. Dingen als gezondheid, geluk en bezittingen telden niet mee. En omdat deugd een zaak van de wil was, hing al het goed en kwaad van de mens zelf af. Daartoe heeft ieder mens de vrijheid, mits hij zichzelf losmaakt van wereldse verlangens. (R242)
Veel ruimere inbreng aan het Stoïcisme kwam van het latere Romeinse drietal Seneca, Epictetus en Marcus Aurelius, respectievelijk minister, slaaf en keizer (R246) Russell signaleert de invloed daarvan tot aan Descartes toe. Ik laat dat weg omdat we inmiddels buiten de sfeer van het Griekse denken terecht zijn gekomen.
Het sleuteltijdperk
Als slot wil nog even iets opmerken over het zogenaamde sleuteltijdperk. Beschaving wordt geacht te zijn begonnen toen de mensen in steden gingen samenleven, duizenden jaren vóór de periode waar ik het nu over had.
Naarmate de denkers daar dieper in doken, viel het op dat rond de 6e en de 5e eeuw vC in de Oude Wereld veel belangrijke vernieuwende denkers min of meer tegelijk leefden. De Boeddha en Mahavira in India, Confucius en Taoïsten in China, Pythagoras en de Ionische natuurfilosofen in Griekenland, de belangrijkste oudtestamentische profeten, enz.
De filosoof Karl Jaspers had daar een interessante hypothese over. Hij veronderstelde een soort puberale geestelijke onrust van de mensheid, met voor het eerst vragen over het ontstaan van de wereld, de aard van de goden, de zin van ons leven op aarde, en dat soort fundamentele zaken. Een eerste gaatje in het eerdere wereldbeeld van uitsluitend magie, animisme en godsdienst. Jaspers noemde het een'sleutelperiode in het menselijk denken', maar voor hetzelfde geld noem ik het een oprisping van een voortstuwende wereldorde.
In ieder geval, nu ik kort achter elkaar lees over het Griekse en het Chinese denken, valt het mij op dat in het sleuteltijdperk aan beide kanten een min of meer vergelijkbaar menu met vergelijkbare alternatieven werd uitgedacht, maar waaruit echter heel verschillend gekozen werd. In China vonden de rationalisten geen weerklank en koos men in de richting van een atheïstische natuurfilosofie, in Griekenland ging het precies andersom. Misschien is het wel geen toeval dat van het werk van Heraclitus maar zo weinig bewaard is gebleven.
De Griekse bijdrage aan de wetenschap:
De geneeskunde, met o.a. Hippocrates. De overgeleverde werken tonen een verrassend hoog niveau. (GM305) Bij de exacte wetenschappen worden de Grieken zich op verrassende wijze bewust van de wiskunde. (GM305) Zaken als architectuur, beeldhouwkunst, tuinbouwkunst enz. evolueerden van mondelinge beroepstraditie tot literaire en wetenschappelijke behandeling. (GM305)
De opvoedingswetenschap trachtte overleveringen te verwerken tot een algemeen systeem van levensdoeleinden. Daartoe werd in de 5e eeuw een hele reeks van psychologische begrippen ontwikkeld, de eucosmia (goedgeordendheid), de euthymia (opgeruimdheid, zielerust) en de eudaimonia (gelukzaligheid, gemoedsrust). (GM305). Er werden ethieken uitgedacht, levenswijsheden die op algemene geldigheid aanspraak maakten: de ethiek van de lust, van de macht, van de deugd en van de beschouwelijkheid, enz. (vita comtemplativa) (GM305)
Voor de wetenschap in de Hellenistische periode was de school van Aristoteles van beslissend belang omdat die voor het eerst grote ideeën uit de filosofie, psychologie, geneeskunde e.d. met concreet onderzoek verbond. Vooral de filologische en mathematische wetenschappen ontplooien zich dan in ruime mate. (GM320)
De materiële grondslag van al die wetenschap lag in een bibliotheek in Alexandrië, ambitie van de Griekse heersers over Egypte na Alexander de Grote. Ze wilden de hele Griekse literatuur verzameld zien. Geschriften werden verzameld, bewerkt, vertaald, heruitgegeven, enz. en er werden catalogi aangelegd, ingedeeld naar Aristotelische gezichtspunten. (GM320).
Tijdens haar bloei bevatte de bibliotheek 700.000 rollen. Vanaf het midden van de 2e eeuw vC raakte het wetenschappelijke werk in verval onder druk van het christendom. Het zakte terug tot compendia en uittreksels.(GM321). In latere eeuwen ging de bibliotheek stapsgewijs ten onder, deels door branden, het laatst door vernietiging door een christelijke bisschop in 391 nC (GM320) Daarna daalden duistere eeuwen neer over Europa.
Bronnen:
R = Bertrand Russell: Geschiedenis van de westerse filosofie, ISBN 90 607 7307 1
GM = De Geschiedenis van de mensheid, uitg. Bezige Bij 1954-1958
OS = Maureen O'Sullivan: The four seasons of Greek philosophy, geen ISBN nr
FL = Ruben Heijloo & Erno Eskens (red.), Filosofen Lexicon ISBN 90 769 8816 1
V = Charles Vergeer: Eerste vragen, over de Griekse filosofie, ISBN 90 616 8311 4
--------------------------------------------------------
 
Globale indeling van de perioden inhet oude Griekenland:
 
De Homerische periode, ruwweg ca 1000 tot ca 800 vC
niets anders van bekend dan het Homerische epos
 
De klassieke periode - circa 800 tot circa 350 vC
Ontstaan van vrije stadstaten, afwisselend verbonden en in oorlog
Kenmerk: vrijheid
 
De Hellenistische periode, circa 350 tot circa 150 vC
Macedonische overheersing, oorlogen met Rome, Hellenisme dank zij Alexander
Kenmerk: onderwerping en wanorde
 
De periode van de Romeinse heerschappij, na 150 vC
Kenmerk: onderwerping en orde
 
Soms ook onderscheid tussen het archaïsche' denken (Miletische school, ca 800 tot ca 500 vC) en het klassieke denken' (Athene)
-----------------------------------------------------------------
Griekse filosofen:
625 - 545 vC Thales (natuurfilosoof)
622 - 547 vC Anaximander
585 - 525 vC Anaximenes
570 - 500 vC Pythagoras (mystiek, wiskunde)
540 - 480 vC Parmenides (niets verandert)
540 - 480 vC Heraclitus (alles verandert)
495 - 535 vC Empedocles (mengsel)
~ 440 vC Leucippus - atomist
~ 420 vC Democritus - atomist
500 - 428 vC Anaxagoras
Klassiek Athene:
480 - 410 vC Protagoras - Sofisme
470 - 399 vC Socrates
427 - 347 vC Plato
384 - 322 vC Aristoteles
450 - 365 vC Antisthenes - Cynisme
404 - 323 vC Diogenes - Cynisme
341 - 271 vC Epicurus - rust en kalmte
360 - 275 vC Pyrrho - Scepticisme
335 - 265 vC Zeno van Citium - Grieks stoïcisme
Romeins stoïcisme
4 - 65 nC Seneca
50 - 138 nC Epictetus
121 - 180 nC Marcus Aurelius


 


Voor het onderhoud van deze website zijn wij afhankelijk van donaties. Klik hier voor meer informatie