Login

De Gebroken Kolom

Verzamelpunt voor bouwstukken

Gelijkheid

GELIJKHEID

 

Piet Romeijn, januari 1999

 

Ik werd geïntrigeerd doordat ik zo vaak het woord (on)gelijkheid hoorde gebruiken, ook als er van werkelijke gelijkheid geen sprake is. Ik ben gaan lezen en heb het een en ander op een rijtje gezet. 

 

• Gelijkheid heeft in onze westerse cultuur een haast utopische bijklank gekregen. Gelijkheid wordt vaak gezien als een bouwsteen voor een betere samenleving, of als een ander woord voor solidariteit. Maar in bijna alle niet-westerse culturen, dus door de meerderheid van de mensen, wordt ongelijkheid als ‘heel gewoon’ aanvaard, en heeft de term niet de negatieve lading die hij bij ons heeft.

 

• De term (on)gelijkheid wordt vaak als ‘stoplap’ gebruikt om iets goed- of af te keuren, als er eigenlijk andere begrippen in het geding zijn. Vaak blijkt het dan om vrijheid, of rechtvaardigheid te gaan.

 

• In een artikel van Prof. Manenschijn vond ik een korte historie van het gelijkheidsbeginsel. Met een beroep op de schepping van alle mensen zegt Paulus ergens dat etnische, maatschappelijke en sekseverschillen niet langer als maatstaf mogen dienen voor het behandelen van mensen. Dat was voor die tijd revolutionair, want vóór Paulus werden verschillen tussen mensen juist niet overbrugd, maar geaccentueerd. Vreemdelingen waren 'barbaren' en inferieur. Vrouwen waren minderwaardige wezens. In de joodse traditie hoorden de onbesnedenen er niet bij.

 

• Bij de Stoa waren ook alle mensen gelijkwaardig, maar nu niet vanwege hun schepping, maar als wezens met een ratio. (De prominente stoïcijn Epictetus was nota bene een slaaf.)

 

• In de Middeleeuwen raakten ideeën als de gelijkwaardigheid van de standen, en van 'eigen' en 'vreemd' grotendeels weer verloren. Maar in de Renaissance en de Reformatie herleeft het gelijkheidsstreven opnieuw en sindsdien is het alleen maar sterker geworden.

 

• De leuze Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap uit de Franse Revolutie heeft een eeuwenlange nasleep gehad, maar is nooit nauwkeurig gedefinieerd. De Verenigde Staten kregen van begin af aan een staatkundige inrichting naar een theoretisch model ervan, met volkomen gelijkheid en vrijheid. Alexis de Tocqueville (1805-1859), die er ter plekke een studie van had gemaakt, waarschuwde toen al voor de risico’s van dat gelijkheidsstreven. Die waarschuwingen zijn bezig uit te komen, en zijn werk wordt daarom opnieuw bestudeerd. De Tocqueville was bezorgd dat die nadruk op gelijkheid een gevaar zou worden voor de vrijheid.

 

In onze tijd heeft Isaiah Berlin veel denkwerk gedaan en aangetoond dat die zorg van Tocqueville terecht was.(Bedachte leven, pag 13) Berlin heeft de mythe ontmaskerd dat iets goeds wordt versterkt door méér van hetzelfde. De verzorgingsstaat steunt mensen die gedupeerd worden door de markteconomie en bevordert aldus gelijkheid. Maar dat kost veel geld, en ondermijnt het fundament van de verzorgingsstaat. Terugkeer naar de markt stelt dat fundament veilig, maar schept weer meer ongelijkheid. (Praktische filosofie, p103)

 

Verder heb ik gekeken bij de socioloog Ralph Dahrendorf (1929), de filosoof Ronald Dworkin (1931), de econoom en Nobelprijswinnaar Friedrich Hayek (1899-1992) en Erich Fromm (1900-1980).

 

Hayek: Mensen zijn van nature ongelijk. Als je ze gelijk behandelt, dan blijven ze ongelijk. Wil je ze gelijk maken, dan moet je ze ongelijk behandelen. Gelijkheid voor de wet en materiële gelijkheid gaan dus niet samen. Je kunt altijd maar één van de twee realiseren. Hij is voorstander van gelijkheid, maar die wenselijkheid alléén is niet voldoende legitimatie van dwang.

 

Dworkin: Een rechtvaardige samenleving draait om twee principes: ‘vrijheid’ om je eigen leven vorm te geven en ‘gelijkheid’ van kansen en toegang tot de middelen. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. De socialist zegt "Wil je meer gelijkheid, dan moet je vrijheid inleveren". De liberaal zegt "Als je aan vrijheid hecht, dan moet je ongelijkheid op de koop toe nemen." (Daar heb je dat principe van Berlin weer)

 

Dahrendorf bekijkt gelijkheid en vrijheid op dezelfde manier als die andere twee. Hij noemt het de ‘valkuil van de moderniteit’ dat — met de beste bedoelingen — gelijkheid soms niet als middel, maar als doel wordt gehanteerd. Zijn ideaal is dat goede burgerrechten iedereen een gelijke startpositie en gelijke kansen garanderen. Maar dan is volgens hem ongelijkheid wenselijk, omdat die de dynamiek in de samenleving moet leveren. 'Conflict is de motor van de vooruitgang' (en in mijn ogen ook van de democratie).

 

Erich Fromm: In de Verlichtingsfilosofie werd het begrip gelijkheid gezien als voorwaarde voor de ontwikkeling van individualiteit. Bij Kant zijn alle mensen gelijk in de zin dat ze doel in zichzelf zijn en nooit middel. Socialistische denkers definieerden gelijkheid met ‘afschaffing van uitbuiting’, dus een eind maken aan het gebruik van mensen als middel. De hedendaagse economische processen eisen niet alleen standaardisering van waren, maar ook van mensen als consumenten, een minder aardige gelijkheid. (Liefhebben, pag 27 e.v.)

 

Ik vond een leuk citaat van Goethe: “De mens kan alleen met zijn gelijken leven, maar op langere termijn kan niemand verdragen dat iemand gelijk aan hem is.” (FilMag 1998/10 p26)

 

Ik vond een mooie overgang naar de concrete werkelijkheid in een publicatie van het onvolprezen Nederlands Gesprek Centrum. Een commissie van acht van hun leden (zes hoogleraren, een Eerste Kamerlid en een politiefunctionaris) heeft zich gebogen over de vraag Gelijkheid voor allen — is dat rechtvaardig? Ze deden dat door een aantal actuele Nederlandse 'situaties' te bekijken waarin het begrip ‘gelijkheid’ wordt gehanteerd. Ze doen dat telkens op twee manieren: eerst door empirische bril, dus feitelijk, neutraal beschrijvend, en dan door normatieve bril, beoordelend, normen aanleggend. Hun boek, ruim honderd bladzijden, draagt er de sporen van dat de commissieleden het over die normen lang niet altijd eens waren. Ik vind dat een mooie illustratie van de a-politieke werkwijze van het NGC: het gaat hun niet om verkondiging, maar om standpunten naast elkaar te zetten, zodat de burgers zelf kunnen kiezen. Een verademing in vergelijking met veel politiek gezwam.

 

Ze beginnen met wat klaarheid te scheppen over hun uitgangspunten:

 

• ‘Verschillen’ zijn neutrale, feitelijke constateringen, zonder waarde-oordeel, zonder emotionele lading. 

 

• Je mag pas van gelijk of ongelijk spreken als je het gekozen punt van vergelijking erbij zegt. Zijn appels gelijk aan peren? Ja en neen! Ja, als 'vruchten'. Neen, als je 'smaak' of 'kleur' als punt van vergelijking kiest. 

 

• ‘(On)gelijkwaardig’ hangt samen met de waarde die iets heeft, maar ook voor wie. Onze huidige samenleving hecht aan gezondheidszorg hogere waarde dan aan een schoon milieu, en vindt dus het werk van de vuilnisman en van de dokter ongelijkwaardig. Maar de persoon die op een bepaald moment veel dringender een vuilnisman nodig heeft dan een dokter, vindt het omgekeerde.

 

Hier volgen de zeven situaties: Ik ga niet inhoudelijk op de thema's in. Ik wil alleen maar om dat begrip gelijkheid heen cirkelen.

 

1. DE ONGELIJKHEID TUSSEN MANNEN EN VROUWEN.

empirisch:

 

Nog steeds maken in de samenleving mannen overwegend de dienst uit. De verschillen worden kleiner, maar ze zijn er nog. Er wordt gekibbeld over de vraag of de maatschappelijke verschillen een natuurlijke of een culturele basis hebben. Het streven van vrouwen naar een grotere gelijkheid is begrijpelijk, hoewel niet altijd logisch. Het kan contraproduktief werken als door positieve discriminatie niet de meest geschikte kandidaat, maar de meest geschikte vrouw wordt benoemd. Valt ze dan tegen, dan werkt dat averechts op de zaak van de vrouwen.

 

normatief:

 

Het gaat in feite om een dubbel streven, namelijk om gelijkheid in keuzemogelijkheden, maar ook om gelijke vertegenwoordiging in de beroepen. Beide strevingen staan in hun goed recht. In het streven naar gelijke keuzemogelijkheden gaat het strikt genomen niet om gelijkheid, maar om vrijheid.

Met gelijke vertegenwoordiging in de beroepen ligt het iets anders. Ondanks de emancipatie is er voor vrouwen nog steeds achterstand in maatschappelijke deelname. Het is dus gepast dat de overheid meer vrouwen in dienst neemt bij gelijke of zelfs iets minder geschiktheid. Bijdragen van vrouwen aan het maatschappelijk leven kunnen bovendien leiden tot nieuwe inzichten binnen een door mannen gedomineerde cultuur.

 

De werkgroep constateert dat er kennelijk 'gelijkheid in soorten' bestaat: vrouwen willen méér gelijke vrijheid, én meer gelijke vertegenwoordiging in alle sectoren, én meer gelijke kansen. Een duidelijk multidimensioneel ideaal dus. Het is de vraag of die dimensies onderling verenigbaar zijn.

 

2. DE ONGELIJKHEID TUSSEN HOMO- EN HETEROSEKSUELEN

 

empirisch:

 

Aanvankelijk was hun strijd gericht op 'volledige aanvaarding' van homofilie door de samenleving, dus op gelijke burgerrechten. Die kregen ze, eerst door de afschaffing van een artikel in het strafrecht (in 1971), later gevolgd door de Wet Gelijke Behandeling. Homofilie wordt door homo's én samenleving tegenwoordig opgevat als een bewuste keuze in plaats van een afwijking, en daar is ruimte voor geschapen door de wet. Dus: de ongelijkheid tussen homo's en hetero's wordt niet opgeheven door gelijkmaking, maar door gelijke behandeling van ongelijken.

 

normatief:

 

De werkgroep gebruikte het rumoer over homo-leraren op christelijke scholen als uitgangspunt voor zijn commentaar. Een homo kan een even goede leraar zijn als een hetero. Maar christelijke scholen willen leerkrachten die goed christelijk zijn. De wet geeft hun het recht om dat te willen. Als je nu vindt dat homofilie in strijd is met je geloof, en je weigert daarom een homo-leraar, discrimineer je dan? 

 

De formuleringen in het boek dragen er de sporen van dat het in de commissie een heel gevoelig onderwerp was. Ze komen m.i. neer op het volgende: natuurlijk mogen christelijke scholen niet discrimineren. Maar als ze hun weigeringsrecht gebruiken, terecht of ten onrechte, mogen ze nooit tot aanstelling gedwongen worden, want dan vervallen we in een gelijkheidsideologie. En dat is een slecht ding, want een gelijkheidsideologie heeft geen boodschap aan verschillen tussen mensen of opvattingen. Alles moet dan worden gelijkgeschakeld door wet of macht.

 

Dat is iets heel anders dan behandelen als gelijke. Dat houdt in dat iemand het recht heeft zijn eigen leven naar eigen wens in te richten (zonder anderen te schaden natuurlijk), maar dat hij ook bereid moet zijn daarvan consequenties te aanvaarden, bijvoorbeeld afkeuring van je keus door anderen. Je mag die afkeuring best bestrijden, maar met argumenten, niet met dwang. Dat sluit niet uit dat voor sommige christenen homofilie een verschil kan zijn dat ongelijke behandeling rechtvaardigt.

 

Hier komt de paradox te voorschijn, dat gelijkheid en vrijheid samengaan, maar ook tegenover elkaar staan. Meer vrijheid betekent minder gelijkheid. Meer gelijkheid (indien afgedwongen) betekent minder vrijheid.

 

3. GELIJKE KANSEN IN HET ONDERWIJS

 

empirisch:

 

Een heersende visie is: Mensen zijn ongelijk in begaafdheden. Scholen en gezinssituaties zijn ongelijk in hun uitwerking op de kinderen. Dat kan positief uitwerken, maar ook negatief. Er wordt iets aan gedaan door compensatie te bieden aan de zwakkeren, en door het hogere onderwijs voor iedereen toegankelijk te maken. (Even bedenken dat het boek in 1989 verscheen)

 

De deelname aan het hoger onderwijs uit lagere milieus is veel kleiner dan vanuit de hogere. Daarom moeten in achterstandswijken middenscholen worden opgericht die het hele traject van Lager Beroeps Onderwijs tot Gymnasium omvatten. De leerlinggroepen kunnen dan langer heterogeen worden gehouden. Dat werkt weliswaar ontmoedigend voor de begaafde leerling, maar die heeft de stimulansen van zijn ouderlijk milieu als compensatie. Dat wordt bedoeld met de leuze 'gelijke onderwijskansen voor iedereen'. Daaruit ontstonden de mammoetscholen. 

 

normatief:

 

Die leuze werkt misleidend. Er is niets verkeerds aan het streven dat iedereen een positie moet kunnen krijgen die overeenkomt met zijn bekwaamheden. Je moet dan iedereen een gelijke startpositie geven. Dat bereik je door alle niet-relevante barrières weg te nemen, zoals milieuverschillen, financiële drempels e.d. Maar bij gelijke startposities profiteren de slimmeren meer van het onderwijs dan de dommeren, dus worden de uitkomsten ongelijker. Hoe beter de kwaliteit van het onderwijs, hoe ongelijker de uitkomsten. Dus: gelijke onderwijskansen maken niet iedereen gelijk.

 

De commissie keurt af dat toch wordt geprobeerd de uitkomsten gelijk te maken door de zwakkeren te helpen en de begaafden te remmen. Dat mag je wel doen met inkomens, maar niet met kennis. Dat is verspilling van talent. We moeten meer doen aan de onderkant van de samenleving: goed onderwijs voor de dommeren en de kansarmen, maar ook goed (en dus verschillend) onderwijs voor de slimmeren. In wezen gaat het dus niet om gelijkheid, maar om rechtvaardigheid. En om compassie met de kansarmen.

 

4. VERSCHILLEN IN CULTUURPATRONEN

 

empirisch:

 

Discussies over gelijkwaardigheid van culturen bewegen zich altijd ergens tussen twee uitersten:

 

- Het ene uiterste is het syncretisme: geen enkele cultuur is ideaal voor iedereen, maar door ontmoeting en communicatie kan wellicht een soort supercultuur ontstaan, zeg maar een smeltkroes, die recht doet aan de verschillen, en toch van alles het beste verenigt. De syncretist bagatelliseert verschillen, en probeert conflicten te voorkomen.

 

- Het andere uiterste, het cultuurrelativisme, zegt: laat de culturen maar gerust verschillen. Elke cultuur is kennelijk goed voor z’n leden, en hun regels zijn voor hen functioneel, hoe verwerpelijk wij ze ook vinden. Als ze verbranden van weduwen een goed ding vinden, so what? Wat doet het er toe of ze hun hoogste autoriteit Jahweh, Allah of Bagwan noemen? De relativist accepteert de verschillen en aanvaardt de kans op conflicten.

 

normatief:

 

De werkgroep uit zich ongeveer als volgt: Uitspraken van wetenschappers over gelijkwaardigheid van culturen zijn abstract en theoretisch. die mensen kunnen makkelijk tolerant zijn omdat ze er niet praktisch en rechtstreeks mee in aanraking komen. Want dan zijn conflicten onvermijdelijk, zoals de praktijk bewijst.

 

Het is, psychologisch gezien, nog maar de vraag of mensen wel in staat zijn tot tolerantie van afwijkende leefwijzen, behalve als ze niets te vrezen hebben. (Wat zou er b.v. met onze tolerantie t.a.v. seksualiteit gebeuren als aids ooit eens een echte epidemie zou worden?)

 

Wat met de mond als gelijkheidsstreven wordt voorgesteld (dus opheffen van verschillen of van verschillen in waardering), ontpopt zich in de praktijk meestal als toedekken en verdoezelen van verschillen. En dat is best functioneel, verstandig dus, want het vermindert de kans op conflicten. Vandaar het taboe op discussies over gelijkwaardigheid van culturen en godsdiensten. Die worden ‘niet politiek correct’ genoemd. Meningen uitspreken over waardeverschillen tussen mensen of groepen mag niet, ook niet als het zindelijk en oprecht gebeurt. We mogen dus niet veel verwachten aan rationele discussie op het niveau van de samenleving.

De kreet ‘gelijkheid’ wordt hier dus niet terecht gebruikt. Het gaat eigenlijk om tolerantie. En natuurlijk ook om oprechte bezorgdheid voor racisme en fascisme.

 

5. SPREIDING VAN MACHT; DEMOCRATISERING VAN DE SAMENLEVING

 

empirisch:

 

Het schijnt niet moeilijk te zijn om van bepaalde posities de macht te verminderen of over te dragen. (Denk maar aan hoogleraren-vakgroepen, werkgevers-ondernemingsraden, moderne gezinsstructuren) Dat is democratisering van de samenleving. De middelen zijn actiegroepen, stakingen, burgerlijke ongehoorzaamheid e.d. Maar toch, steeds meer mensen twijfelen aan het functioneren van democratie. Voor een deel komt dat doordat ze verschillend denken over wat democratie precies inhoudt of zou moeten inhouden. De een wil alleen maar zijn eigen invloed groter zien worden, de ander streeft naar de best mogelijke besluitvorming voor de samenleving.

 

normatief:

 

Democratie streeft naar gelijke invloed van iedereen op de politieke processen, maar bereikt die nooit. Het enige wat er gebeurt als meer mensen participeren, is dat ieders persoonlijke invloed kleiner wordt. En democratie levert ook geen maatschappelijke gelijkheid. Toch is het een goede zaak, want ze vermindert in ieder geval de ongelijkheid.

 

Objectief gezien zijn er goede redenen voor méér, maar ook voor minder spreiding van macht. Héél globaal gezegd gaat de kwaliteit van de besluiten achteruit naarmate de macht meer gespreid wordt. Echte gelijkheid van macht kan alleen bij directe democratie, maar die levert altijd besluiten van mindere kwaliteit.

Onze democratie komt niet verder dan gelijkheid van kansen. Conclusie: gelijkheid is ook een illusie als het om macht gaat.

 

6. NIVELLERING VAN INKOMENS

 

empirisch:

 

Deze vorm van gelijkheid is eenvoudig te verwezenlijken. En succesvol. Geen land ter wereld is meer genivelleerd dan Nederland, ook Zweden niet. Schrale troost voor degenen die nog steeds ervaren dat anderen 'meer' hebben. De welvaart stijgt met procenten per jaar, maar de behoeften stijgen met méér procenten, dus het subjectieve welvaartstekort neemt toe. De roep om verdere nivellering blijft klinken

 

normatief:

 

Verschillen in inkomen werken stimulerend op prestaties, en die prestaties willen we. Als we moeten kiezen tussen wel of niet nivelleren, welke criteria moeten we dan aanleggen?

 

Het criterium gelijkheid zet geen zoden aan de dijk, omdat er veel te weinig topinkomens zijn in verhouding tot de lage inkomens. We moeten dus uitwijken naar criteria als rechtvaardigheid, prestatie, behoefte (zoals in de bijstand), of verantwoordelijkheid. (Moet de medische specialist dan meer of minder verdienen dan de buschauffeur?). We krijgen dan steeds andere uitkomsten. Uiteindelijk komen we vroeg of laat altijd terecht bij de vraag hoe de minstbedeelden het best af zijn, óf via banen scheppen met loonmatiging en inkomensnivellering, óf via het garanderen van de koopkracht ongeacht de effecten op werkgelegenheid en economie. En ook op die vraag is geen eensluidend antwoord.

 

Nivellering van inkomen komt dus neer op balanceren tussen enerzijds volledige gelijkheid (die onmogelijk en ongewenst is) en te grote verschillen (die maatschappelijke spanningen veroorzaken). De positie van de minstbedeelden weegt in die afweging het zwaarst. Opnieuw gaat het dus niet om gelijkheid, maar om rechtvaardigheid en compassie.

 

7. RECHTS(ON)GELIJKHEID

 

empirisch:

 

Rechtsgelijkheid wordt door iedereen duidelijk als een groot 'goed' gezien. Hoofdprincipe is dat gelijke gevallen gelijk, en ongelijke gevallen ongelijk behandeld moeten worden. Is dat uitvoerbaar? Welke gevallen zijn dan gelijk en welke niet? En als je weet dat mensen straf heel verschillend ervaren, hoe bereik je dan gelijke straftoemeting?

 

Het volk taxeert bepaalde misdrijven anders dan Justitie. Seksuele misdrijven erger dan vermogensdelicten. Seksuele vergrijpen in Staphorst erger dan in Amsterdam. De rechters kiezen verschillend tussen vergelding, afschrikking, of resocialisatie (heropneming in de samenleving). Dat noemen we functionele rechtsongelijkheid. Functioneel is ook dat mannen eerder de cel in gaan dan moeders met kinderen. 

 

Er bestaat ook verwijtbare rechtsongelijkheid, in de zin van klassejustitie, maar die ligt in feite net andersom dan vaak gedacht wordt. 

 

Een tweede hoofdprincipe is dat de straf op de maat van de dader moet worden toegesneden. De rechter moet rekening houden met de persoon van de dader. Al met al moet de rechter dus werken met een inconsistent systeem, dat van strijdige uitgangspunten vertrekt. Daarom heeft een rechter naast kennis van de wet ook wijsheid nodig. 

 

normatief:

 

De rechtspraak heeft in alle tijden met deze twee principes gefunctioneerd. Ze staan allebei op gespannen voet met het principe van rechtsgelijkheid. Opnieuw gaat het niet om gelijkheid, maar om rechtvaardigheid

 

Resumé

 

• Alle maatschappelijke ongelijkheden opheffen is onmogelijk en soms zelfs onwenselijk. Maar voor ongelijke behandeling moeten wél altijd goede redenen zijn. Dat worden dan op den duur sociale regels. Er kunnen goede redenen zijn om bestaande regels te veranderen. Vaak noemen we dat 'verbetering', maar wat blijkt meestal? Dat meer gelijkheid op één gebied haast altijd betekent minder gelijkheid op een ander gebied (Daar heb je Berlin weer). Maar ook dat mag best, als de redenen maar relevant, redelijk en onpartijdig zijn.

 

• Als je denkt bezig te zijn onder de vlag van gelijkheid, dan ben je vaak met andere zaken bezig, bijvoorbeeld rechtvaardigheid. Wie b.v. een gehandicapt en een gezond mens ‘als gelijken’ behandelt, behandelt ze empirisch ongelijk, en toont daarmee zijn respect voor mensen. Dát is rechtvaardigheid, dát is de grond van het gelijkheidsstreven.

 

• De praktijk leert steeds weer dat schone idealen weerbarstig kunnen zijn in de uitvoering. Het enthousiasme voor de leuze ‘spreiding van kennis, macht en inkomen’ uit de 70er jaren is in de praktijk beproefd, maar weer geluwd. Zo ook andere gelijkheidsstrevingen. Aanvankelijke voorstanders zijn kritisch geworden, met als gevolg dat zaken als inkomensnivellering, onderwijs-experimenten en democratisering van de samenleving steeds minder enthousiasme oproepen. 

 

• Dat neemt niet weg dat gelijkheid een groot goed is, dat zo eerlijk mogelijk verdeeld moet worden. Een geschikt criterium daarvoor is behandeling van anderen als gelijken. Dat kan héél goed ongelijke behandeling opleveren (we sluiten een misdadiger op, maar bekleden een minister met macht). Dat vinden we rechtvaardig omdat we er goede redenen voor menen te hebben.

 

 

Lectuur:

Gelijkheid voor allen - is dat rechtvaardig? auteurs drs. J.G. van der Ploeg, prof.dr. W. Buikhuisen, prof.dr. E.M. de Jager, dr. G. Manenschijn, drs. P. Pronk, mevr. A.M.J. Ritman, dr. H.M. Vos, prof.dr. J. de Wit, publikatie van het Nederlands Gesprek Centrum.

 

 


Voor het onderhoud van deze website zijn wij afhankelijk van donaties. Klik hier voor meer informatie