Login

De Gebroken Kolom

Verzamelpunt voor bouwstukken

Erich Fromm in een notendop

Erich Fromm in een notendop

Piet Romeijn, 24 juni 2007

 

Waarom dit artikel? De directe aanleiding was dat ik in een citaat uit de Times Literary Supplement de bewering tegenkwam dat Erich Fromm een van de belangrijkste auteurs van de 20e eeuw zou zijn. De echte reden was dat ik het van belang acht dat zijn denken juist in deze tijd onder de aandacht van zo veel mogelijk mensen komt.

Ik heb acht van Fromm's boeken in mijn boekenkast staan en daarvan zijn er twee stukgelezen en één bijna niet gelezen. De oplagen van de eerste vier boeken in onderstaand tabelletje wijzen er op dat de gemiddelde Nederlandse lezer niet veel anders reageert dan ik. 

Erich Fromm bibliografie

(Fromm stierf in 1980, maar tot 1997 verschenen postuum nog veel meer werken van zijn hand in druk.)

 

Engelse versie:Nederlandsevertaling:  

geschre-venTITEL:TITEL:eerste

drukhuidige druk  

1941Escape from freedomDe angst voor vrijheid195213e  

1947Man for himselfDe zelfstandige mens19559e  

1956The Sane SocietyDe gezonde samenleving19558e  

1956The Arts of LovingLiefhebben, een kunst, een kunde196217e  

1960Psychoanalysis and Zen BuddhismZen Boeddhisme en bhet Westen19715e  

1963My Encounter with Marx and FreudMarx, Freud en de vrijheid1970?  

1964The Hearts of ManHet hart van de mens19642e  

1966You shall be as GodsGij zult zijn als goden19753e  

1976To Have or to Be?Een kwestie van hebben of zijn?3e 

1. De angst voor vrijheid (1941) gaat over de vlucht in autoritairisme, destructivisme en conformisme. Geeft een beeld van de westerse mens.

2. De zelfstandige mens (1947) gaat over karakterologie en psychologie van onze levenshouding.

3. De gezonde samenleving (1956) gaat over de psychopathologie van democratie en kapitalisme. Geeft een beeld van de westerse samenleving.

4. Liefhebben, een kunst, een kunde (1956) Het is een soort bekroning van het boekenviertal; het gaat over de ontplooiing tot creatief menszijn. (Van dat boek zijn in de hele wereld meer dan 25 miljoen exemplaren verkocht, en het wordt vandaag nog steeds herdrukt, ook in het Nederlands.)

Dit artikel is een poging om een jarenlang traject van denkwerk van Fromm samen te vatten, te beginnen met het begrip vrijheid van de mens, tot en met de visie van Fromm hoe die vrijheid te gebruiken. In mijn ogen bevatten die vier boeken de kern, en zijn de overige aanvullingen, verfijningen of uitwerkingen, niet minder interessant en waardevol natuurlijk. 

Biografie

Erich Fromm werd in 1900 in Duitsland geboren in een orthodox-joods gezin, studeerde psychologie, sociaalpsychologie en filosofie. Emigreerde naar de VS in 1934, verhuisde in 1950 naar Mexico ten behoeve van de gezondheid van zijn vrouw, en in 1974 naar Zwitserland, waar hij stierf in 1980.

De angst voor vrijheid

Fromm analyseert het begrip vrijheid in zijn psychologische betekenis. Alle mensen koesteren een diep verlangen naar vrijheid, maar paradoxaal genoeg zijn ze tegelijk ook bang voor die vrijheid. De evolutie en de geschiedenis hebben ons tot vrije autonome individuen gemaakt, die eigen keuzen kunnen maken. En sinds de Renaissance is ook ons bewustzijn veranderd. De mens is psychologisch meer zichzelf geworden. Fromm noemt dat proces 'individuatie', een term die hij aan Jung ontleende. (In andere boeken gebruikt hij ook wel de term 'individualisatie')

Die individuatie laat zich aardig herkennen in het kind dat zich in zijn groei ontdoet van zijn primaire bindingen met zijn opvoeders, en uitgroeit tot een volwassene. En ook als volwassene kan die individuatie doorgaan. (Zie mijn artikel over Het spectrum van ons bewustzijn)

Die drang naar vrijheid ligt diep in ons verankerd. Onze intuïtie zegt ons dat ons denken, voelen en willen in wezen vrij zijn, dat wij alleen zelf onze gedachten en gevoelens naar believen kunnen vormen en sturen. Maar dan komt Fromm met zijn historische analyse, die ons leert dat de praktijk weerbarstig is. In de Middeleeuwen beperkten de begrenzingen in maatschappelijke klassen en de gilden bijvoorbeeld die vrijheid, maar ze leverden wél ook veiligheid en steun. De mensen hoorden ergens bij.

Na de Renaissance kwam de mens los van de feodale structuren en gildeverbanden. Hij werd politiek en economisch meer zelfstandig en vrij. Maar werd ook minder beschermd dan vroeger. Hij werd op zichzelf teruggeworpen en moest zelf zijn weg zoeken in het opkomend kapitalisme, met weinig winnaars en veel verliezers.

Zijn vrijheid werkte beangstigend, want zelfs zijn levensonderhoud was minder zeker geworden. Het gaf de gemiddelde mens een onzeker en machteloos gevoel. We vinden dat o.a. weerspiegeld in de theologieën van Luther en Calvijn. Daarin is de mens onzeker, zondig en angstig, en voor zijn heil afhankelijk van een buiten hem gelegen God. Dat proces van individuatie maakte alleen een elite sterker. De gemiddelde mens voelde zich door de nieuw gewonnen vrijheid verzwakt.

Zijn vrijheid had hem niets positiefs opgeleverd, zeker geen geluk. Het leek wel of hij de vrijheid niet aankon. In de 19e en 20e eeuw werd dat probleem alleen maar nijpender. Hij werd in theorie steeds vrijer door economische en technologische ontwikkelingen. Maar hij vervreemdde van zijn arbeid, voelde zich een te verwaarlozen radertje in het geheel, buitengesloten en nietswaardig, speelbal van een wereld waar hij niet meer scheen bij te horen. Psychologisch gezien resulteerde zijn vrijheid in eenzaamheid, isolement en angst.

En angst doet rare dingen met een mens. De mens wil zich koste wat kost ervan bevrijden. Als er geen echte oplossing is, dan wil hij de angst verdringen met een pseudo-oplossing, voor desnoods tijdelijk soelaas. Hoe hij dat doet, hangt volgens Fromm af van zijn karakterstructuur.

Autoritairisme

Een veel voorkomende vlucht is in het zgn. 'autoritaire karakter' Autoritair niet in de zin dat het individu voor zichzelf uit is op macht of anderen wil overheersen, maar in de zin dat het individu met macht gepreoccupeerd is. Het houdt van een sterk gezag, omdat dat van buitenaf de gevoelens van zekerheid levert die het individu ontbeert. En het maakt niet uit of men die gevoelens krijgt door uitoefening ván of onderwerping áán gezag. Als het gevoel van isolement maar verdrongen wordt.

Die onderwerping vindt plaats aan personen en/of instellingen, maar evenzeer aan fundamentalistische religies en ideologieën.

Als een van de meest schrijnende voorbeelden van deze 'sado-masochistische' tendens noemt Fromm de opkomst van het nationaal-socialisme in Duitsland toen hij zijn eerste boek schreef. Hij wilde begrijpen hoe het kan dat een heel volk zo gemakkelijk een vrijheid prijsgeeft die het eerder moeizaam had verworven.

Destructivisme

Een ander mechanisme als pseudo-oplossing is destructivisme. Weinig mensen kiezen daarvoor omdat ze weten dat het geen echte oplossing biedt, maar in extreme gevallen ziet de psyche soms geen andere uitweg dan de boel kort en klein slaan.

Conformisme

Maar het meest voorkomende mechanisme is wel het conformisme. De conformistische mens durft niet alléén te staan, geen sterk afwijkende mening te hebben, of iets anders te willen dan de mensen waar hij mee leeft. Hij past zich liever aan bij de wereld om hem heen, want dan word je geaccepteerd en sta je niet meer alleen.

Dat is niet best voor de samenleving, want juist door gewetensvolle daden en onafhankelijk en creatief denken van individuen wordt een cultuur op hoger plan gebracht.

Die tendens van de mens om zich over te geven aan de wil en opvattingen van anderen zien we niet alleen in het maatschappelijk leven, maar ook in het persoonlijke leven. Een liefdesrelatie kan zo ontaarden in een afhankelijkheidsrelatie, ten koste van de geestelijke groei en vrijheid van de afhankelijke partner. Liefde kan dan frustratie en zelfs wanhoop of haat worden.

Geen vicieuze cirkel

Het boek beschrijft een cirkelgang: bevrijding van primaire bindingen — verlies van zekerheid — nieuwe zekerheid in ruil voor nieuwe horigheid. Fromm is overtuigd dat het geen vicieuze cirkel is en dat de mens vrij en toch niet eenzaam kan zijn, kritisch en toch niet vertwijfeld, onafhankelijk en toch integraal deel van de mensheid. Door zelfverwerkelijking, ontplooiing van alles wat de mens in zich heeft.

Een voornaam ingrediënt ervan is spontaniteit, naar zijn mening een van de moeilijkste problemen van de psychologie. Als voorbeelden van mensen die spontaan zijn, wier denken, voelen en handelen uitdrukking van hun Zelf zijn, noemt hij echte kunstenaars en enkele filosofen en wetenschappers. En uiteraard ook personen die wel spontaniteit bezitten, maar niet het vermogen om zich uit te drukken. Liefde is er de voornaamste component van. Niet als een zich oplossen in een andere persoon, maar als een activiteit die leidt tot eenheid zonder verlies van individualiteit.

De Times rekent het boek De angst voor de vrijheid mijns inziens terecht tot de honderd belangrijkste werken van de 20e eeuw.

Mens en samenleving

Zes jaar later, in 1947, verschijnt Fromm's tweede boek De zelfstandige mens. Het bestaat nagenoeg geheel uit analyse van de mens qua karakter, psyche en temperament. Ik volsta met een letterlijk citaat van Fromm's slotzin:

“Noch het goede, noch het kwade komt automatisch tot stand of is reeds van tevoren beslist. Het is de mens zelf die beslissen moet. Alles is hier afhankelijk van zijn vermogen om zich ernstig rekenschap te geven van zichzelf, zijn leven en geluk, van zijn bereidheid de ethische problematiek zowel van zichzelf als in maatschappelijk opzicht onder ogen te zien, en vooral van de moed waarmee hij zichzelf durft te zijn, een zelfstandig mens, zelfbewust en authentiek.”

Weer negen jaar later, in 1956, verschijnt De gezonde samenleving. Gaat over de 'psychopathologie van democratie en kapitalisme'. Het is Fromm's analyse van wat er mis is met de samenleving van een halve eeuw geleden.

Ik ga op geen van beide boeken in (met alle respect voor de hoge kwaliteit van Fromm's denken) omdat:

• de psychologische kenmerken van de samenleving niet meer zijn zoals een halve eeuw geleden. (ze zijn verslechterd), en

• ik mij bewust wil beperken tot de menselijke aspecten van het tijdperk waarin we leven, en

• omdat ik van mening ben dat maatschappelijke veranderingen moeten beginnen met het denken van mensen, met politiek als consequentie, niet omgekeerd.

Ik denk dat ik punt 1 niet hoef te onderbouwen. Ik ben mét velen overtuigd dat het beter kan en moet, en ik acht het heel goed mogelijk dat het ooit ten goede zal veranderen, maar ik zie dat op korte termijn niet gebeuren, en ook niet met de huidige maatschappelijke elite.

Misschien door het denken van enkele verlichte geesten, in de trant van wat Willis Harman beschreef als Global Mind Change (zie mijn artikel met die naam op mijn website http://www.promeijn.nl). Een van Harman's stellingen was dat niets ter wereld het in sterkte kan opnemen tegen het denken van de mensen. Maar je moet dan geen haast hebben, en bereid zijn kleine tekentjes van verbetering welwillend te interpreteren.

Of, sinds we tegen wonderen anders aankijken dan vroeger, zou ons bestaan draaglijker kunnen worden als de meerderheid van de bevolking zich zou bekeren tot de boeddhistische filosofie en psychologie, los van godsdiensten met dwang en angst. Ergens in het 'sleuteltijdperk' (van Karl Jaspers) is het in India toch ook zo maar begonnen met één boeddha? En Confucius, Jezus, Lao Tze en bepaalde profeten uit het OT zijn toch ook als solisten begonnen? Maar alweer: het gaat niet snel! Maar er zijn tekenen van verandering te zien: denk aan kritische filosofen als Adorno, Marcuse e.d. Mijn samenvatting van het boek van Sperna Weiland De mens in de filosofie van de twintigste eeuw geeft nog meer voorbeelden.

Liefde

Fromm claimt niet de status van profeet, maar levert zijn bijdrage als psycholoog/filosoof in 1956 in de vorm van zijn boek Liefhebben, een kunst, een kunde. Van dit boek zijn inmiddels 25 miljoen exemplaren in de wereld verkocht. Nederland is al aan zijn 17e druk bezig.

Het boek is a.h.w. een afsluiting van de eerste reeks van vier die hij tussen 1941 en 1956 schreef, met als globale eindconclusie dat ondanks de pathologieën in de samenleving de mens het in zich heeft om waarlijk vrij te kunnen zijn en toch niet eenzaam. Het recept is spontane ontplooiing, met als voornaamste component de liefde.

De Winkler Prins noemt liefde "een van de meest inhoudelijke en tegelijk vér-reikende woorden van de Nederlandse taal". Het is dus niet zo vreemd dat Fromm een boek nodig heeft om uit te leggen wat hij bedoelt. 

Hij begint met te zeggen wat het niet is: het is niet iets dat je overkomt, geen toestand waarin je komt te verkeren na 'falling in love' zoals het Engels zo treffend uitdrukt, het mag niet verward worden met seksualiteit ('make love'). Neen, het is activiteit, arbeid, het ontwikkelen van een kunst of kunde, het is een functie van het leven, die je je eigen moet maken, en dat gaat niet vanzelf. Het antwoord van Fromm is dat liefde, zoals hij die beschrijft, een antwoord is op een heel diep zittende behoefte in ieder mens, een behoefte waarvan vele mensen zich maar nauwelijks of helemaal niet bewust zijn. En die behoefte is in onze tijd groter dan ooit. 

Wat is die behoefte? De behoefte aan tussenmenselijke binding, aan ver-eniging (één worden) met je medemensen. Maar dan op een manier die recht doet aan twee dingen die ogenschijnlijk met elkaar in strijd zijn: enerzijds het biologische gegeven dat geen enkel mens helemaal alleen kan leven, anderzijds de groeiende individualisering in onze samenleving. 'Iedereen wil zichzelf zijn, maar toch niet alleen zijn'. Het tot stand brengen van die tussenmenselijke ver-eniging, dàt is liefde à la Fromm.Fromm waarschuwt dat het vermogen tot liefhebben vooral niet verward mag worden met de wens om bemind te worden. Die wens zit heel diep gebakken in ons allemaal, maar de vervulling van die wens alléén is niet genoeg om ons psychologisch isolement te doorbreken, leidt niet tot die tussenmenselijke ver—eniging. 

Liefde is voor alles geven. Wat is geven? Fromm bedoelt niet in de eerste plaats geven in materiële zin, maar geven van het meest wezenlijke dat een mens geven kan, namelijk van zichzelf, van zijn eigen leven. Hij geeft wat in hem leeft, hij laat de ander deel hebben aan zijn vreugde, zijn verdriet, zijn kennis, zijn begrijpen, zijn belangstelling. En hij doet dat niet om te ontvangen, maar omdat het geven zelf hem een voldoening is. Er gebeurt dan iets waaraan beide partijen vreugde beleven. Liefde wordt dan het vermogen tot wekken van liefde. Als twee mensen een 'goed gesprek' hebben gehad, dan is er in twee richtingen gegeven en ontvangen. Als dit artikel op de een of andere manier bij U aanslaat, is er tweerichtingsverkeer geweest. 

Fromm verwijst ter illustratie naar andere terreinen waar op soortgelijke wijze geven tot ontvangen wordt: de leraar wordt onderwezen door zijn leerlingen, de acteur wordt gestimuleerd door zijn publiek, de psychoanalyticus wordt genezen door zijn patiënt, steeds op voorwaarde dat partijen elkaar niet als objecten behandelen. Natuurlijk komt het geven van liefde op deze manier je niet aangewaaid. Er is een soort moed voor nodig, en vertrouwen. Wie bang is om zichzelf te geven, is ook bevreesd om lief te hebben zegt Fromm. Het modebegrip 'kwetsbaar opstellen' heeft hier maar gedeeltelijk mee te maken.Geven is dus hoofdkenmerk van liefde a la Fromm, maar er zijn nog meer kenmerken, namelijk zorg, verantwoordelijkheid, respect en inzicht. 

Het element zorg zit het duidelijkst in de liefde van de moeder voor haar kind, maar b.v. ook in liefde voor dieren of planten. Als je de zorg wegdenkt is er geen sprake meer van liefde. 

Ook is er geen liefde zonder verantwoordelijkheid, in de betekenis 'in staat en bereid zijn tot antwoorden op de al dan niet uitgesproken behoeften van een medemens'. En dan moeten we in de eerste plaats denken aan psychische behoeften. En die verantwoordelijkheid moet berusten op vrij handelen, niet opgelegd, of omdat het in je contract staat. Op de vraag van Kaïn 'ben ik mijn broeder's hoeder?' antwoordt de liefhebbende mens dat het leven van zijn broeder niet alleen zijn broeder aangaat, maar ook hemzelf, dat hij zich voor zijn medemensen verantwoordelijk voelt. Klinkt mooi, maar ik weet nog hoe we in de problemen kwamen toen we in mijn loge die vraag van Kaïn probeerden te beantwoorden. (verzorgingsstaat, ontwikkelingshulp e.d.) Het is niet zo simpel als het lijkt.

Verantwoordelijkheid zou gemakkelijk kunnen ontaarden in bazigheid of overheersing zonder het derde kenmerk respect. Dat is niet vrees of ontzag, maar eerbied voor de ander zoals hij is, respecteren dat hij zich ontplooit op zijn eigen manier, om zichzelfs wille, en niet zoals ik zou willen. Respect kan alleen maar bestaan vanuit de vrijheid van beide betrokkenen.

Het is onmogelijk een mens te respecteren zonder hem te kennen. Zorg en verantwoordelijkheid zouden blind zijn als ze niet werden geleid door kennis en inzicht. En ons kennen zou leeg zijn zonder belangstelling voor de ander. Gewoon kennen kan oppervlakkig of diepgaand zijn, maar liefhebbend kennen wil altijd tot de kern doordringen, met respect natuurlijk.Kennen is dus voorwaarde voor liefhebben a la Fromm. Maar wanneer ken je iemand? Fromm maakt onderscheid tussen intellectueel kennen en liefhebbend kennen. Intellectueel kennen is nuttig en kan zelfs nodig zijn, want liefde is pas mogelijk als je een realistisch, objectief en rationeel beeld hebt van de ander en, let wel, ook van jezelf. Sterk en zwak zuiver zien bij jezelf en bij de ander brengt je al halverwege het accepteren ervan, en dat is weer een voorwaarde van liefde. 

De 'rijpe' persoonlijkheid heeft van deze vijf ingrediënten een bepaalde melange verworven. Zeer waarschijnlijk heeft hij ook eventuele dromen van almacht en alwetendheid opgegeven, en zich een bepaald soort ootmoed aangeleerd. Fromm onderscheidt in z'n analyse ook liefde naar soort en naar object waarop de liefde gericht kan zijn.

Liefde tussen man en vrouw

Liefde tussen man en vrouw, in het ideale geval, vertoont diezelfde vijf kenmerken, waarschijnlijk in iets sterkere mate. Want er komt iets bij: de geslachtsdrift, de drijfveer die zich richt op de continuïteit van het leven zelf, en die daarom nog sterker is dan de behoefte aan ver-eniging van personen.

Naastenliefde

Naastenliefde: ligt volgens hem ten grondslag aan alle andere vormen van liefde. Hij gebruikt veel woorden om naastenliefde te omschrijven, maar ik heb geen verschil kunnen vinden met zijn algemene concept van liefde, misschien het feit dat hij naastenliefde een 'gevoel' noemt, en zijn eigen concept een 'activiteit'. Naastenliefde ontspringt aan de liefde tot de hulpeloze, de arme, of de vreemdeling, zoals die bijvoorbeeld in de bijbel gepreekt wordt. 

Erotische liefde

Erotische liefde: heeft als bijzonderheid dat hij niet universeel is, maar exclusief, op één persoon gericht. Maar hij wordt nog wel eens verward met 'falling in love', plotseling verliefd worden op iemand die je niet of nauwelijks kent. Houdt niet altijd stand als de gelieven elkaar eenmaal hebben leren kennen. De romantische kreet 'wij beminnen elkaar, laat de rest van de wereld barsten' heeft niets met liefde à la Fromm te maken. Het is een vorm van 'egoïsme met z'n tweeën'.

Zelfliefde

Als de zelfliefde aan de orde komt, gaat Fromm voor het eerst echt fulmineren, bijvoorbeeld tegen de wijdverbreide opvatting dat het deugdzaam is om anderen lief te hebben, maar zondig om jezelf te beminnen, of — nog gekker — dat hoe meer je jezelf liefhebt, hoe minder je anderen liefhebt, en dat zelfliefde identiek is met zelfzucht. Hij gebruikt de bijbel, de logica en de psychologie om te betogen dat de liefde zoals hij die ziet precies evenveel op jezelf van toepassing moet zijn als op alle andere mensen. Of, zoals ik in mijn loge eens heb horen zeggen, "Je kunt niet van een ander houden als je niet van jezelf houdt". Zelfzucht en zelfliefde zijn dus twee verschillende dingen.

Liefde tussen ouders en kind

Dan de liefde tussen ouders en kind. Daar zegt Fromm interessante dingen over. Na de nog volkomen egocentrische periode van baby en kleuter gaat het kind ervaren dat z'n moeder het bemint om wat het is, of nog nauwkeuriger, omdat het er is. Moeder's liefde is onvoorwaardelijk, het kind hoeft die niet te verdienen. Tot een jaar of tien kunnen de meeste kinderen nog niet zelf liefhebben, maar dan ontwaakt langzaam het besef dat ze liefde kunnen opwekken en na jaren rijpt tenslotte het vermogen tot liefhebben à la Fromm. De andere mens is dan niet meer een middel tot bevrediging van eigen behoeften, maar de behoeften van de ander worden even belangrijk. Voor de infantiele liefde geldt 'ik bemin omdat ik word bemind', voor de rijpe liefde omgekeerd: 'ik word bemind omdat ik bemin'.

Fromm wijst er op dat de moederliefde, door z'n onzelfzuchtige karakter, beschouwd wordt als de hoogste vorm van liefde, en de heiligste van alle emotionele bindingen. En het moeilijkste ervan is niet het opvoeden, maar het kind in liefde op eigen benen leren staan, dus ook de scheiding accepteren, en het kind ook als volwassene blijven liefhebben.

Voor het kind is de verhouding tot de vader verschillend van de verhouding tot de moeder. Moeder is de natuur, de voedingsbodem. Vader daarentegen betekent de andere pool van het menselijk bestaan, de wereld van het denken, van de wet, van de orde en de discipline. Vader wijst het kind de weg in de wereld. Naarmate het kind voor z'n vitale functies minder afhankelijk wordt van zijn moeder, gaat de relatie met de vader belangrijker worden. Moederliefde is onvoorwaardelijk, vaderliefde is voorwaardelijk. Let wel, Fromm zegt niet dat moeders uitsluitend op de ene en vaders op de andere manier liefhebben, hij heeft het over het moederlijke en het vaderlijke element in de liefde van allebei de ouders. Het verschil zit er alleen maar in de zwaartepunten.

Moeder- en vaderliefde hebben allebei iets negatiefs en iets positiefs: het positieve van moederliefde is dat het kind er niets voor hoeft te doen, maar het negatieve is dat moederliefde, als die om wat voor reden ook ontbreekt, op geen enkele manier op te wekken is. Vaderliefde moet worden verworven, en kan verloren gaan of terugverdiend worden. Het is positief dat het kind iets kan doen om vaderliefde te verwerven, het kan ervoor werken, en dat is een belangrijk stuk vorming van het kind. Beide vormen van liefde beantwoorden tezamen aan fundamentele behoeften van het kind. Moeder's functie is hem te beveiligen in het leven, vader's functie is hem te onderwijzen en te leiden, zodat hij het leven aan kan. Moeder schenkt geloof en vertrouwen, vader schenkt een toenemend gevoel van eigen kunnen. De synthese van die twee is de grondslag voor de geestelijke gezondheid van het kind.

Liefde tussen volwassenen

Bij liefde tussen volwassenen blijft bijna altijd wel een puntje twijfel zitten, zo in de geest van 'wat nou als ik hem of haar niet meer beval?', of 'als ik de goede daden niet meer kan leveren?', of 'word ik bemind om mijzelf of omdat ik nuttig ben?'. Het is dus geen wonder dat het verlangen naar die verrukkelijke, onvoorwaardelijke moederliefde bij niemand ooit helemaal verdwijnt. Onevenwichtigheden tussen moeder- en vaderbinding vinden meestal een natuurlijke uitweg in de volwassen liefde, b.v. doordat ze een component worden van erotische liefde, of van een religieuze beleving. In ernstige gevallen kunnen neurotische storingen er gevolg van zijn.

Liefde tot God

Tenslotte de liefde tot God. Fromm is daar nogal uitvoerig over. Hij geeft een knappe verhandeling, die theologische twistgesprekken omzeilt doordat hij uitsluitend psychologische termen gebruikt. Om te beginnen stelt hij dat de liefde voor God in wezen niet verschilt van de door hem beschreven liefde. Beide ontstaan uit dezelfde behoefte tot ver-eniging, alleen nu niet met andere mensen, maar met God.Heel knap trekt hij parallellen met de liefde tussen ouders en kind, waarin de matriarchale godsdiensten de moederliefde vertolken, de patriarchale godsdiensten de vaderliefde, en de mensheid een ontwikkeling als die van kind tot volwassene doormaakt. Maar, aldus Fromm, het leven heeft geen andere zin dan wat de mens er zelf aan geeft, en dat kan hij alleen maar doen tezamen met andere mensen. Het doel van de religie moet dus niet zijn het rechte geloof, maar het rechte handelen.

Fromm stelt dan de vraag 'als liefhebben een kunst of kunde is, hoe kun je die dan leren?' En dan blijkt dat er geen cursussen voor bestaan, en geen recepten zijn te geven. Liefhebben is namelijk niet alleen kennis en vaardigheid, maar bovenal een stuk persoonlijke vorming. Fromm noemt er een paar elementen van. Het belangrijkste vindt hij dat de mens zijn narcisme overwonnen moet hebben. Hij gebruikt die term in neutrale betekenis. Het is de eigenschap dat een volwassen mens alles wat hij waarneemt en meemaakt, alleen maar kan ervaren en waarderen in wat het voor hemzelf betekent, net zoals een jong kind dat van nature doet. Voorbeelden van narcistische vervorming zijn ouders die hun kind alleen maar waarderen naarmate het henzelf eer aandoet, of vrouwen die hun man maar niks vinden omdat hij niet voldoet aan het droombeeld van de sprookjesprins uit hun kinderjaren.

Het is misschien duidelijker om de tegenpool van narcisme te bepleiten, namelijk objectiviteit, het vermogen om mensen en dingen, ook jezelf, te zien en te beoordelen zoals ze zijn, en dat objectieve beeld goed uit elkaar te houden met het beeld dat je hoopt, verwacht, vreest, of wenst. Je mag zulke beelden natuurlijk best hebben, graag zelfs, maar ze mogen je niet hinderen om de dingen ook te zien zoals ze zijn. Het vermogen om dat te kunnen is redelijkheid, en de emotionele instelling die ermee gepaard gaat is nederigheid, ootmoed, jezelf bevrijd weten van kinderlijke droombeelden, van alwetendheid of almacht. Degene die zich bewust is van situaties waarin hij niet objectief is, is al een mooi stuk op weg. 

Nog een noodzakelijke voorwaarde is geloof. Fromm doelt dan op redelijk geloof. Onredelijk noemt hij geloof dat alleen maar berust op onderwerping aan een persoon, conventie, kerk of publieke opinie. Geloof wordt pas redelijk als het de vrucht is van eigen denken en voelen. Geloof in jezelf hoort er ook bij, als tegenhanger van het soms maar half bewuste idee dat je voor je zelfgevoel van anderen afhankelijk zou zijn. Voor geloof in jezelf is soms moed nodig, b.v. als je tegen bestaande opvattingen of kritiek meent te moeten ingaan.En tenslotte geloof in de mensheid, het idee dat de mens in staat is een sociale orde te vestigen waarin hoge beginselen zullen heersen als de noodzakelijke voorwaarden vervuld zijn. 

Ik geef toe dat daar soms sterk geloof voor nodig is, maar niet sterker dan het geloof van een moeder in de mogelijkheden van haar kind. Want die zijn precies evenzeer in de toekomst verborgen. 

 

 


Voor het onderhoud van deze website zijn wij afhankelijk van donaties. Klik hier voor meer informatie