Login

De Gebroken Kolom

Verzamelpunt voor bouwstukken

Bronnen van beschaving

Bronnen van onze beschaving

Piet Romeijn, november 2009

 

Dit is een samenvatting van een boek van Michael Wood, dat in 1992 in het Engels verscheen met de titel Legacy, a Search for the Origins of Civilizations (Erfenis, een zoektocht naar de oorsprong van beschavingen). Een paar jaar later verscheen een Nederlandse vertaling van Teleac, ISBN 90 6533 3134. Recente herlezing maakte op mij opnieuw diepe indruk, en was aanleiding tot dit artikel.

Een m.i. plausibele stelling van Wood is dat bepaalde fundamentele wezenstrekken van de primaire beschavingen nog steeds doorwerken. Wat is beschaving? Als westerse sprekers over de ‘beschaafde wereld’ spreken, bedoelen ze meestal hun eigen liberale democratische cultuur, die dan ook nog vaak stilzwijgend als superieur wordt verondersteld. Maar Wood volgt de definitie die antropologen en archeologen meestal gebruiken: leven in steden, gebruik van brons, schrift, tempels, hiërarchieën, klasse-verschillen, en dat alles bij elkaar gehouden door een georganiseerde militaire macht.

Deze kenmerken zijn universeel, maar, aldus Wood, achter zo’n beschrijving verbergen zich heel uiteenlopende ideeën in moreel, intellectueel, politiek en cultureel opzicht. Kenmerken die veel dieper zitten dan verschillen tussen individuen, of generaties. Je moet als het ware van bovenaf kijken naar de Indiase of de Chinese cultuur als geheel.

Voor zijn reizen en voor zijn documentaires voor de BBC heeft Wood alleen gekeken naar beschavingen die als eerste in hun gebied onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan. Hij noemt er zes: Irak, India, Egypte, China, Midden-Amerika en Peru. Mijn artikel gaat alleen over de Oude Wereld, d.w.z. de eerste vier.

Niet minder fascinerende culturen in b.v. Japan, Cambodja of Kreta worden niet als primair gezien, niet met onafhankelijke opkomst. Die nadruk op de onafhankelijke opkomst van de gekozen beschavingen heeft op dit moment voor ons bijzondere betekenis, aldus Wood, want alleen door te kijken naar het begin van die veronderstelde lange en voortdurende invloeden van de eerste beschavingen kunnen we hopen dat we ons bewust worden van wat van universeel belang is in onze eigen geschiedenis en ondervindingen, en scheiden wat slechts Westerse eigenaardigheid is.

Enkele van onze grondbeginselen in het moderne westen, b.v. ons op eigendom gebaseerd individualisme, de bruikbaarheid van onze wetenschap, en onze vrije markt-filosofie, moeten misschien in dit licht worden gezien, en niet als een universeel onderdeel van ‘het einde van de geschiedenis’. [Dit laatste is misschien een reactie op het bekende boek van Fukuyama met die naam, dat ook in 1992 verscheen, gelijk met Woods boek]

Het staat buiten kijf dat landschap en klimaat de voornaamste factoren waren die de opkomst van beschaving bepaalden. De vier grote beschavingen van de Oude Wereld ontstonden langs rivieren, allemaal in een smalle strook rond de dertigste breedtegraad in de gematigde luchtstreek van het noordelijk halfrond. Dus een gelijksoortige materiële basis.

Niettemin verbergen de gemeenschappelijke factoren zeer uiteenlopende concepties van wat beschaving in feite is, d.w.z. de uiteindelijke doelstellingen van georganiseerd menselijk leven op aarde in moreel, intellectueel, politiek en spiritueel opzicht. [Sterk overdreven en eenvoudiger verwoord: toen families na een nomadisch bestaan in groepjes en stammen op een vaste plek gingen samenleven, toen die groepen toenamen in tal en last, een stad gingen stichten, met arbeidsverdeling, machtsverschillen, hiërarchieën, nieuwe technieken, zich moeten verdedigen tegen overvallen, enz. enz., toen ontstonden nieuwe ideeën, opvattingen, religies, gewoonten e.d. die ons misschien iets kunnen leren. Bij voorbeeld: Hoe overtuig je burgers goed en deugdzaam te zijn zonder een religieuze sanctie?]

Irak (Mesopotamië)

Waarschijnlijk de oudste beschaving is de Soemerische, in het gebied dat ooit Mesopotamië heette, maar nu Irak genoemd wordt. Zoals gewoonlijk schiepen rivieren de eerste levensvoorwaarden, in dit geval de Eufraat en de Tigris. Het is een betrekkelijk klein gebied, zonder natuurlijke grenzen. Legers van omliggende culturen en nomaden hebben het dus vaak geplunderd en veroverd. Het was dus ook een kruispunt of smeltkroes van culturen. Het menselijk bestaan stond of viel er met irrigatie, en dat vereiste organisatie door een centraal bestuur. Steden waren ook daar een logisch gevolg van.

Hun belangrijkste ontdekking was het schrift, rond 3000 vC. Naast vele mythen legden ze ook fantasievolle literatuur vast, denk maar aan het Gilgamesj-epos. Maar toch bestaat 95% van de gevonden schriftelijke bronnen uit economische teksten: feiten, cijfers, rekeningen, verslagen, boedelbeschrijvingen, hoeveelheden dadels of gerst, stukken land op de meter nauwkeurig, enz. Duidelijk een heel andere teneur dan de overwegend religieuze teksten in het vroege Sanskriet bijvoorbeeld, of de sjamanistische orakeltekens in China.

In Irak verscheen dus duizenden jaren geleden al de mens die zich bezig houdt met het nuttige, wiens onderlinge betrekkingen worden bepaald door wereldlijke wetten. Homo economicus, het basisidee van het moderne westen. Niettemin zijn de fantasievolle literatuur en vooral de mythen wellicht de meest blijvende erfenis van de Mesopotamische cultuur. Gilgamesj is bijna zeker een bestaande persoon geweest. Misschien was hij wel de koning van Oeroek die rond 2700 vC de muren bouwde waarvan de resten gevonden zijn.

Het Gilgamesj epos heeft model gestaan voor alle latere speurtochten naar het eeuwige leven of aanverwante zaken. En het weerspiegelt ook nog een andere karakteristieke eigenschap van de Mesopotamische cultuur: z'n pessimisme. Duidelijk verschillend van bijvoorbeeld het optimisme van de Egyptische beschaving. Citaten uit het Gilgamesj epos (tablet 10): 

'Gilgamesj, het leven dat gij zoekt zult ge nooit vinden. Want toen de goden de mens schiepen, beschikten ze de mensheid de dood; het leven reserveerden ze voor zichzelf. (...) Wees blij, dag en nacht, vier iedere dag feest, dans en speel, bij dag en bij nacht (...) Let op het kind dat je hand vasthoudt, laat je vrouw genieten in je schoot - dat is wat de mens moet doen.

Daar heb je het romeinse Carpe Diem van een paar duizend jaar later!

Ook de vele klaagzangen die op de spijkerschrift-tabletten zijn gevonden, getuigen van die pessimistische instelling. Die is volgens Wood nog steeds herkenbaar in de sjia in Zuid-Irak. Natuurlijk is pessimisme op zichzelf niet zo vreemd in dat harde landschap, waar mensenwerk steeds opnieuw door natuur of oorlog werd en wordt verwoest.

Irak was ook het toneel van een ingrijpende breuk in de menselijke psyche. In de hele prehistorische wereld was al tienduizenden jaren de verhouding tussen mens en natuur er een van eenheid, harmonie, afhankelijkheid, verering, moederschap van de aarde e.d. Maar in het wereldbeeld van de Mesopotamiërs stond de beschaving niet in, maar tegenover de natuur. Niet verbazingwekkend, denk b.v. aan hun 100% kunstmatige woonplaatsen: steden op terpen, met het water als vriend en als vijand. Je moest je ertegen beschermen door het te beheersen, en je moest het ook naar je hand zetten om je akkers te bevloeien.

Die psychologische breuk met de natuur was uniek in de wereld. Het is een van de grote vraagstukken van de geschiedenis waarom dat alleen in het Nabije Oosten gebeurde, en nergens anders in de wereld.In ieder geval, de Iraakse mentaliteit werkte door in technologie, handel, irrigatie, het gebruik van schrift voor economische doeleinden, het idee dat de territoriale stadstaat belangrijker was dan loyaliteit aan stam- of familiebanden. Het latere monotheïsme (ook exclusief voor deze regio) zette die ideeën voort door het stellen van een god die de wereld schiep voor de mens, wetten maakte voor die wereld, maar er zelf buiten bleef. Het verschil tussen 'de natuur is God' of 'de natuur is van of door God'. Het verschil tussen Spinoza en Francis Bacon)

Die scheiding tussen mens en natuur werd in het latere westen theologisch, filosofisch en tenslotte wetenschappelijk onderbouwd. De natuur werd gereduceerd tot een reeks van verschijnselen, die in principe door de mens begrepen, beheerst en dus bestuurd konden worden. Die ideeën zijn in westerse hoogmoed gecanoniseerd als universele, voor de hele wereld geldende wetenschap. Verbonden met theorieën over individuele vrijheid worden ze nu beschouwd als de drijvende krachten van de geschiedenis. De niet-westerse culturen doen hun best om zich de westerse beschaving eigen te maken, en dat wordt dan genoemd 'achterstand inhalen'. Althans, wij westerlingen noemen het zo.

Francis Bacon, eind 16e eeuw, legde een filosofisch fundament voor die wetenschappelijke onderbouwing. Voor Bacon lag het doel van de wetenschap in het beheersen van de natuur, omdat daarmee de menselijke vooruitgang het best gediend was; de natuur als de ‘slavin van de mens’. Terugkijkend kunnen we hem nu zien als een profeet van onze eeuw. Hij zag ook de negatieve implicaties van de nieuwe wetenschap. Want, zoals hij zei, als het waar was dat 'voortaan in menselijke aangelegenheden dat wat het meest nuttige was in de praktijk, ook het meest juiste in theorie zou zijn', dan kon de waarheid zelf worden gedefinieerd in termen van bruikbaarheid in plaats van religie of moraal. En dus, aldus Bacon, 'zou de mens zijn eigen wet worden' en 'niet langer afhankelijk zijn van God'. En dat is een van de basisideeën van de moderne westerse beschaving geworden.

Resumerend kun je zeggen dat de westerse beschaving drie wezenstrekken van de Soemerische geërfd heeft: het accent op economisch denken, de scheiding tussen mens en natuur, en een pessimistische instelling. De eerste twee klinken in mijn oren plausibel. Dat pessimisme, dat weet ik nog zo net niet, maar het zou best kunnen.

Egypte

In de oude Egyptische cultuur speelde de tegenstelling tussen mens en natuur helemaal niet. Die cultuur was bovendien statisch van aard. Men zag de kosmos, de natuur en de menselijke samenleving als een harmonieus en stabiel geheel, dat tot in de eeuwigheid zou blijven bestaan zolang de rituelen juist werden uitgevoerd. Veranderingen, nieuwe vragen, nieuwe antwoorden, waren gewoon niet nodig.Het Egyptische wereldbeeld paste helemaal bij het feit dat het land duizenden jaren door natuurlijke grenzen beschermd werd tegen invasies, maar ook afgesneden werd tegen invloeden van buitenaf, heel anders dus dan Soemerië. Die veiligheid was waarschijnlijk ook een factor voor hun optimistische levenshouding. En een verklaring van de buitengewone duurzaamheid van hun beschaving. Afgezien van enkele onbelangrijke interrupties is Egypte een paar duizend jaar een eenheid gebleven, met een ondeelbaar wereldlijk en goddelijk gezag van de farao, dat zonder noemenswaardige opstanden of revoluties altijd geaccepteerd werd. En dat is op zichzelf een unicum.

Het is alsof de uiteindelijke ondergang van hun oude religieuze stelsel in de hectische hellenistische periode (ontstaan na de veroveringen van Alexander de Grote) zo traumatisch was dat hun ontwikkelingen eventjes alle kanten uitspetterden, van irrationalisme en mysterie-godsdiensten enerzijds tot een speurtocht naar gnosis anderzijds. Denk bijvoorbeeld aan de gnostische evangeliën van Nag Hamadi, en aan de culturele heksenketel Alexandrië. Iets geheel nieuws in de Egyptische cultuur was het monasticisme tijdens het jonge christendom. Tienduizenden keerden zich van de wereld af en gingen in kloosters leven. Dat werd een Egyptische erfenis aan het westen, maar dan uit de nasleep ervan, niet uit de beschaving zelf

India

De Indiase beschaving 'eventjes' typeren is eigenlijk een onmogelijke opgave. Het karakter ervan staat heel vaak lijnrecht tegenover de soemerisch/westerse. Enerzijds individualisme, materialisme, rationaliteit, anderzijds geweldloosheid, innerlijk leven, zelfverloochening. India was en is met recht het rijk van de geest; daar werd de geestelijke speurtocht van de mens, als een doel op zichzelf, in het middelpunt van het menselijk bestaan geplaatst. Je kunt gerust stellen 'India ziet andere doelen van het menselijk bestaan dan het westen'.

De historische kennis van het oude India is pril en schaars, want het had geen historiografische traditie, dus geen geschreven bronnen. Heilige teksten werden mondeling overgeleverd en als regel veel later pas vastgelegd. Maar het is een bewijs van kwaliteit dat die oeroude heilige teksten vaan duizenden jaren geleden vandaag de dag nog steeds levend zijn, en inmiddels geëvolueerd zijn tot verfijnd gedachtengoed. Men heeft nooit behoefte gehad aan dogmatische godsdiensten. Het Hindoeïsme, wel een religie maar geen kerk, heeft zonder problemen het christendom, de islam, en nog veel meer geïntegreerd in zijn tolerante geheel, dat varieert van veelgoderij tot puur filosofische levensvisies, soms binnen één familie. 

Opmerkelijk is dat het van huis uit niet-religieuze Boeddhisme weliswaar in Noord-India ontstaan is, maar in de rest van India nauwelijks ingang vond. Eén ding staat vast: de Indiase beschaving heeft de westerse beschaving niet merkbaar beïnvloed, maar heeft het westen wel veel te bieden. En het lijkt er op dat het westen dat begint te beseffen. Minder dan een eeuw geleden deed men in het westen nog meewarig over het onontwikkelde India, maar naarmate de mondig geworden westerling minder op gezag accepteert, en meer zelf op zoek gaat, stijgt het respect voor de Indiase geestelijke beschaving.

China

De oude Chinese beschaving lijkt op geen enkele andere. China noemde zich 'het rijk van het midden', en dat is naar mijn smaak niet gek gekozen. De scheppers van de Chinese traditie zagen als voornaamste doel van de inspanningen van de mens een zedelijke orde op aarde, op basis van deugdzaamheid, ritueel en eerbied voor de voorouders. Het meest fundamentele kenmerk van de Chinese cultuur is waarschijnlijk het dynamische evenwicht tussen tegenstellingen, tussen innerlijk en uiterlijk leven, licht en donker, mannelijk en vrouwelijk, yin en yang. Al het Chinese denken is daarmee doordrenkt: wetenschap, filosofie, voeding, geneeskunde, en alle andere gebieden van het leven. 

Het wezen van de Chinese cultuur is uiterst duurzaam, zelfs in tijden van grote beroeringen. De drie levensbeschouwingen Confucianisme, Taoïsme en Boeddhisme zijn nog steeds levend. De Chinezen ontwikkelden als nuchter en praktisch volk nooit een gedetailleerde eigen theologie. Ook het westerse idee van een persoonlijk god is hun vreemd. Ze hebben er kennelijk nooit behoefte aan gehad. Het is dus niet vreemd dat christendom en islam er weinig weerklank vonden, maar het min of meer rationele Boeddhisme wel. Dat laatste werd omgebouwd tot Ch’an, het Japanse Zen.

Een opvallend verschil met het westen is hun opvatting van de plaats van de mens in de natuur. Waar het westen de natuur ziet in termen van beheersing en exploitatie, is zij voor de Chinezen de bron van harmonie en evenwicht. Hun pogingen om de natuur te begrijpen door religie, wetenschap of kunst zijn dus niet de wens om te overheersen, maar om te kunnen meegaan met de natuurkrachten, met yin en yang zoals zij zelf zouden zeggen. Denk aan de zeggingskracht van veel Chinese prenten.

Wood noemt China's bijdrage aan de geschiedenis van de mensheid enorm. Z'n politieke systeem zorgde ongewoon lang voor vrede en stabiliteit voor een groot deel van de wereldbevolking. Duizend jaar geleden had het al examens voor de selectie van ambtenaren op kwaliteiten die tot vandaag toe nergens zijn geëvenaard. Tot voor kort waren ze de rest van de wereld vooruit op het gebied van wetenschap en technologie. Ze waren wellicht de beste handwerkslieden van alle beschavingen met brons, zijde, jade, porselein en lak; en – naar mijn eigen ervaring — ook metaalbewerking. Wood vindt het belangrijkste ook het meest karakteristieke: het Taoistische ideaal van harmonie en de vereniging van tegenstellingen, en het Confuciaanse ideaal van praktische deugdzaamheid.

En dat zit zo diep dat hun beschaving zich na alle wisselvalligheden van hun roerige en gewelddadige geschiedenis steeds kon vernieuwen zonder de culturele continuïteit te verbreken. Het wordt spannend om te zien wat hun zogenaamde communistische revolutie met die continuïteit zal doen.

Het sleuteltijdperk volgens Karl Jaspers

Die bronstijdbeschavingen bleven ruim 2000 jaar bestaan. In de 6e/5e eeuw voor Christus ontstond die wonderlijke periode die door Karl Jaspers heel treffend het sleuteltijdperk werd genoemd. Veel van de belangrijke denkers in de wereldgeschiedenis leefden toen tegelijkertijd: de Boeddha, Mahavira in India (Jainisme), Confucius, Lao Tse en de Taoïsten in China, de belangrijkste oudtestamentische profeten, Pythagoras, Heraclitus en de vroege Griekse filosofen. Volgens Jaspers duidt dit erop dat de Oude Wereld na die eerste ronde van bronstijdbeschavingen een soort bezinningscrisis beleefde, waarin vragen gesteld werden over de aard van de god of de goden, het doel van het leven op aarde, de grondslagen van het gezag van koningen en staten, en dergelijke fundamentele zaken.

Er werden keuzen gemaakt. In het Nabije Oosten koos men voor het monotheïsme, in China behield men het Confuciaanse idee van een maakbare zedelijke orde van individu, familie en staat, de traditie in India beweerde dat gehechtheid aan het aardse een illusie is en dat verlichting pas kan ontstaan door zich daarvan te bevrijden, net andersom als in het Westen.

Veel van wat er toen aan geestelijke zaken werd gebakken, werkt nog steeds door in de moderne tijd. Maar met die vragen wordt nog steeds geworsteld, de laatste tijd zelfs meer omdat de religieuze sanctie haar kracht heeft verloren. Hoe overtuig je burgers goed en deugdzaam te zijn?

De lange weg naar de hedendaagse beschavingen

Ik ga nu met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis heen van alle culturen in de Oude Wereld (van de Nieuwe Wereld is nog niet voldoende bekend).

Tot aan de primaire beschavingen in de bronstijd waren er alleen maar verspreide landbouwgemeenschappen naast de nog oudere jagers en verzamelaars. Ze leefden in harmonie met de natuur, met religies die soms matriarchaal waren, met godinnen in plaats van of naast mannelijke goden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden van systematisch geweld tussen volken of culturen, het verschijnsel dat wij oorlog noemen. Dát verschijnsel trad voor zover bekend pas voor het eerst op in de Soemerische beschaving.

In de eeuwen kort voor en kort na het begin van onze jaartelling evolueerden de oude beschavingen verder. Griekenland had weliswaar al in de bronstijd een stuk van de hofbeschaving van het Nabije Oosten overgenomen (dat waren de Mykeners), maar dat ging niet diep, want met de Mykeense paleizen verdween ook die beschaving weer. Maar in het sleuteltijdperk was Griekenland de eerste om de nieuwe wetenschappelijke en filosofische denkbeelden over te nemen uit Irak, Iran en India. Griekse genialiteit, vindt Wood, maakte de vroege vijfde eeuw voor Christus tot een van de belangrijkste tijdperken van de wereldcultuur. Het duurde helaas maar kort, namelijk tot de Macedoniërs Griekenland overmeesterden.

In de 3e eeuw vC vond in India eveneens een belangrijke cultuurstap plaats. Koning Ashoka bekeerde zich na bloedige oorlogen tot het idee van ahimsa, geweldloosheid (in de 20e eeuw nog toegepast door Gandhi). Ashoka voerde in zijn rijk de leer van dharma in. (Wood: 'rechtvaardig gedrag', woordenboek: religie, natuurwet, plicht). In de bewaard gebleven verordening van koning Ashoka stonden 2000 jaar geleden al de termen die moderne politici zo moeilijk over de lippen kunnen krijgen: mededogen, tolerantie, vriendelijkheid, oprechtheid e.d. Wood vindt het dharma-idee een van de belangrijkste verworvenheden van de mensheid, samen met de Griekse democratie, de Amerikaanse Bill of Rights, en het Communistische Manifest.

De Grieks/Macedonische veroveringen van Noord-Afrika, West- en Centraal-Azië legden een soort netwerk van gemeenschappelijke kenmerken over alle daar heersende culturen heen, met intense uitwisseling van ideeën, samen het Hellenisme. Het is geen toeval dat toen de grote universalistische godsdiensten ontstonden, het christendom in de eerste eeuw, het manicheisme in de 3e eeuw, en in de islam in de 7e eeuw. Misschien is het ook geen toeval dat het gebied waar het Hellenisme werkzaam was later de islamitische wereld zou worden.

In dit hele spel had Europa geen enkele rol. Een Europese cultuur bestond nog niet. De eerste impulsen voor een ontwikkeling van een eigen traditie kwamen pas veel later, en dan niet rechtstreeks van de Grieken, maar via Romeinse en dus eenzijdige interpretaties van het Hellenisme. Het meeste geestelijke erfgoed kwam veel later, via de bewerkingen door islamitische geleerden van de Griekse klassieken. En dat was een gelukje voor de Europese geleerden, want het zeer christelijke Europa had de meeste ‘ketterse’ documenten vernietigd.

De Romeinen waren knap en sterk genoeg om zowel onderontwikkelde als hoog ontwikkelde culturen te veroveren, maar ze hadden geen eigen religieuze of sociale ethiek om al die ongelijksoortige grootheden te integreren. Onder Romeins bewind hadden alle sekten en erediensten vrij spel, zolang ze maar van de staatsmacht afbleven. Uit dat gistingsproces kwam het christendom te voorschijn, en dat werd door Constantijn als staatsgodsdienst bezegeld. De vraag is gerechtigd wat voor religie het geworden zou zijn als de politieke historie toen een ietsje anders gelopen had, want het gnosticisme was toen springlevend.

Hoe dan ook, na de verdwijning van de Romeinse macht uit Europa begon daar een crisis op economisch, sociaal en geestelijk gebied. In de verwoeste Romeinse provincies vestigde een ratjetoe van barbaren een nieuwe orde, op basis van een religie uit het Nabije Oosten, het monasticisme uit Egypte, hun meegebrachte mythologie, een geschreven taal uit Italië, en een aantal profane vaardigheden die ze van de Romeinen geleerd hadden. Met geen andere onderlinge banden dan dat ze ooit Romeins gebied waren geweest. 

Geen wonder dat Europa veel oorlogen heeft gekend. Romeins imperialisme en Rooms christendom bleven de grondslagen van de West-Europese cultuur. De middeleeuwse keizers zagen zichzelf graag als opvolgers van de Romeinse keizers, en de Renaissance was onder andere een poging tot herleving van Romeins/Griekse idealen. Eeuwenlang waren er ordinaire conflicten om de macht tussen keizers en pausen.

Tussen de 8e en de 11e eeuw was de vruchtbare halve maan na duizenden jaren nog steeds de grote stuwende kracht achter de cultuur in Azië. De Islam vond er meer weerklank dan het christendom. De moslims waren de erfgenamen van de oudheid. In het middeleeuwse Baghdad werden de eerste bruggen geslagen tussen de godsdiensten en de wetenschappen van Oost en West. Het kost misschien even moeite om het te accepteren, maar dat gebeurde met een kwaliteit en een niveau die helemaal vergelijkbaar zijn met de latere Europese renaissance. 

Babylonische astronomie, Hindoe-wiskunde en Chinese wetenschap en technologie werden door Arabische humanisten doorgegeven aan Europa. Arabische geleerden brachten synthesen tot stand van Perzische, Griekse, Joodse en Islamitische filosofie en fysica. Wood citeert een uitspraak van een groep islam-geleerden in Basra, uit de l0e eeuw, die in onze tijd nauwelijks denkbaar zou zijn: 

'Als men Arabisch geloof en Joods verstand kon combineren met Iraakse scholing, christelijk gedrag, Griekse kennis, Indiase mystiek en een Soefische levensstijl, zou dat de vervolmaking van de mensheid zijn.' 

Wood vindt dit nog altijd een van de grootste doelstellingen in een internationale beschaving, en ik ben dat volledig met hem eens.

Het einde van Baghdad als schittering van islamitische cultuur kwam met z'n verwoesting door de Mongolen in de 13e eeuw. De laatste Soemerische stad was daarmee uitgespeeld.Pas in de 13e en 14e eeuw werd in Europa dezelfde weg ingeslagen als die van de geleerden van Baghdad vier eeuwen eerder. De grotendeels religieuze cultuur van theocratische maatschappelijke voorschriften werd in overeenstemming gebracht met de klassieke scholing, hellenisme, kritische en rationele wetenschap, neoplatonische filosofie en zelfs met een scheutje oudere magische en gnostische tradities. Het religieuze wereldbeeld ging op de helling, met als eindprodukt onze huidige westerse beschaving. Wood vraagt zich af waarom dat wel in de christelijke wereld, maar nooit in de islamitische wereld gebeurde, maar geeft daar zelf geen antwoord op. Ikzelf ben geneigd om de schuld te geven aan de Mongoolse verwoestingen en terreur in de 13e eeuw.

Wood vraagt zich ook af hoe het mogelijk was dat die kleinschalige Europese landen en economieën uiteindelijk de wereld konden gaan overheersen. In de 16e eeuw had Engeland bijvoorbeeld slechts 22 miljoen inwoners, maar China en India elk meer dan 50 keer zo veel. En die hadden alle belangrijke uitvindingen gedaan die voor de westerse wetenschappelijke en industriële revolutie nodig waren. Hoe konden die kleine West-Europese landen ze voorbij streven? Wood ontwikkelt een uitvoerige hypothese, die neerkomt op een omwenteling van waarden, een geweldige psychologische verschuiving die het westen verschillend maakte van alle andere samenlevingen in de wereld, de ontwikkeling van westers individualisme, een nieuw vrijheidsbegrip, rechten voor de gewone man. Het westen werd een open samenleving die zich meer op individuele dan op gemeenschappelijke rechten richtte.I

n de 16e eeuw ontdekte Europa de Amerikaanse Nieuwe Wereld, eigende zich diens hulpbronnen toe, en bracht de volken tot slavernij. In de eerste eeuw na Columbus stierf 2/3 van de inheemse bevolking aan ziekte en geweld. Voor de eerste maal werden twee primaire beschavingen door een veel jongere beschaving systematisch vernietigd. 

Voor alle andere inheemse volken in de wereld was dat het begin van hun strijd om het behoud van hun tradities, overtuigingen, gebruiken en zienswijzen tegenover de overweldigende en vaak gewelddadige westerse cultuur. Vele kleintjes hebben die strijd al verloren, vele groten zijn er nog mee bezig.

In de 18e eeuw ging de industriële suprematie van Azië over naar Europa. India verloor bijvoorbeeld zijn eerste plaats voor staal en textiel, China voor gietijzer. Voor de westerlingen verloor de aarde haar heiligheid, haar moederschap. Ze werd een bron van grondstoffen en energie voor de industriële revolutie, schijnbaar onuitputtelijk.

De eerste politieke uitwerking van die nieuwe westerse cultuur ontstond in Noord-Amerika, niet gehinderd door oude tradities. De eerste miljoenen vrijwillige emigranten uit Europa werden gevolgd door miljoenen gedwongen immigranten uit Afrika, en in de jongste tijd door miljoenen Hispanics en Aziaten. Aan de Amerikaanse westkust zijn de blanken al bijna een minderheid. De idealen die aan de VS ten grondslag liggen zijn indrukwekkend en beslist niet Europees, b.v. het geloof dat iedereen gelijk geboren is, met gelijke rechten op vrijheid en geluk, en met universele mensenrechten. Dat het in vele opzichten een zootje is geworden, doet daar niets aan af.

Mogen we spreken van een triomf van westerse waarden in de wereld? Mogen we de westerse samenlevingen aan de wereld ten voorbeeld stellen? Wood is voorzichtig negatief in z'n antwoorden. Hij meent dat de westerse waarden alléén niet genoeg zijn om het voortdurende welzijn van de planeet te waarborgen. Hij spreekt van 'de crisis van de aarde' en 'de crisis van de geest' waar de mensheid voor staat. En hij legt de blaam bij één beschavingsvorm, die van het westen. Hij wijst op het groeiende gevoel in het westen dat we niet op de goeie weg zitten.

Dialoog tussen oost en west

Hij vindt een dialoog wenselijk met andere volken en culturen van de wereld, en ziet aanwijzingen dat die al op bescheiden wijze plaatsvindt. Als die dialoog op basis van echte geestelijke gelijkwaardigheid gevoerd zou worden, verwacht hij dat die zich zal concentreren op dezelfde wezenlijke principes die in het sleuteltijdperk al werden bediscussieerd door Confucius, Boeddha en hun tijdgenoten: de strijdige eisen van vrijheid versus gelijkheid met elkaar verzoenen, van het individu versus de gemeenschap, van het verstandelijke versus het geestelijke. 

Voorbeelden: Van India kunnen we leren dat de begeerte naar bezit ons kan vernietigen, dat alle leven heilig is, dus ook de natuur, en dat uiteenlopende religies best naast elkaar kunnen bloeien, zonder kerk. China kan ons leren dat de grondslag van georganiseerd samenleven bestaat uit het vinden van evenwicht tussen mensheid en natuur, en tussen de behoeften van het individu en van de samenleving; dat het redelijk is om in een wereld met eindige hulpbronnen beperkingen van ruimte en begeerte te aanvaarden, en dat een algemeen geldende godsdienst volstrekt geen noodzaak is. 

En ook de islam, hoewel onderwerp van wantrouwen en weinig sympathie, heeft het westen het een en ander te bieden aan wijsheid. Wat zegt U b.v. van het volgende citaat van Ibn-Chaldoen, islamitisch historicus uit de 14e eeuw: 

'Het doel van de beschaving is een veilig bestaan en het verwerven van luxe. Maar er is een grens die niet kan worden overschreden. Wanneer een volk voorspoed en luxe verwerft, wordt dat gevolgd door overmatige consumptie en verkwisting. Daarmee wordt de menselijke geest zelf ondermijnd, zowel in zijn aardse welzijn als in zijn geestelijk leven.' 

Het is goed om te bedenken dat drie oeroude bronnen spreken namens de overgrote meerderheid van de wereldbevolking, tegen een minderheid die qua beschaving nog maar net komt kijken.

Wood vindt het hoogst opmerkelijk dat de westerse beschaving, die z'n kennis zo enorm verruimd heeft, nooit is teruggekomen van die fundamentele deling in de menselijke psyche die alleen Irak maakte, het verbreken van de harmonie en overeenstemming met moeder aarde, met de natuur. Geen enkele andere cultuur heeft die scheiding ooit gemaakt zo lang als er mensen op aarde rondlopen. Dat heeft geleid tot een beschaving gescheiden van de natuur, alleen beheerst door economische behoeften in plaats van de oudere gedragsvormen. En die beschaving wordt nu als een soort evangelie over de hele wereld verspreid.

Hij vraagt zich af of de mondiale beschaving in diepste wezen wel zoveel opgeschoten is sinds het begin 5000 jaar geleden. Noem maar op: strukturen waarin weinigen velen overheersen; overbevolking; ongelijke verdeling van de rijkdommen van de aarde; verkwisting van die rijkdommen door de rijken; en het anachronisme van de soevereine, onafhankelijke natie-staat, die meestal niet meer is dan het toevallige produkt van oorlogen in het verleden.

Slot van Wood:

Wood besluit zijn boek met een fragment uit een prachtige mythe, waarin een Soemerische god van de wijsheid een boodschap voor de wereld meegeeft aan een zekere Inanna van Oeroek. Ze kan al zijn zegeningen meekrijgen, maar dan moet ze wel het complete pakket van goed en kwaad nemen:

(...) De kunst van machtig zijn,

de kunst van huichelarij 

de kunst van het recht door zee zijn 

het plunderen van steden 

het aanheffen van klaagzangen 

het verblijden van het hart.

het ambacht van de timmerman, 

het ambacht van de koperslager, 

het ambacht van de schriftgeleerde, 

het ambacht van de smid, 

het ambacht van rietbewerker.

 

(...) de kunst van het vriendelijk zijn, 

het ontsteken van vuur (...) 

de vermoeide arm, 

de hongerige mond, 

de samengekomen familie, 

voortplanting (...)(...) 

angst, 

ontzetting, 

wanhoop, 

het ontbranden van strijd, 

het troosten van het hart (..)

Al deze zaken zal ik je geven, heilige Inanna, maar als je ze hebt genomen, kan er geen redetwist zijn en kan je ze niet teruggeven.

Tot zover Wood. Zijn kritiek op de westerse beschaving is naar mijn mening juist, en mild uitgedrukt. Hij schrijft boeiend. Zijn kennis van zaken lijkt mij ruim voldoende.

Mijn slot:

Wat denk ik er zelf van? Ik ben het in grote lijnen met Wood eens. Of wij als westerse beschaving die scheiding tussen mens en natuur wel of niet van de Soemeriërs geërfd hebben, het is naar mijn mening een feit dat de mens en de natuur niet in wederzijdse consistentie leven. Langdurige vergrijpen als deze eindigen altijd in sterfte, hetzij van de natuur, hetzij van de menselijke soort, of van allebei. Zoveel weten we al uit onze biologie. Van alle soorten die ooit geleefd hebben, is 99% alweer uitgestorven, en dat de mens een hoogbegaafde soort is, plaatst hem niet boven de biologische wetmatigheden.

De stelling van Wood dat bepaalde fundamentele wezenstrekken van de primaire beschavingen nog steeds doorwerken, klinkt in mijn oren plausibel. En dat geeft mij hoop. Want dat zou betekenen dat er synthese mogelijk is van b.v. de Chinese, de Indiase en de westerse cultuur. Een combinatie van alleen de goede elementen uit dit drietal b.v. lijkt mij ideaal.

Daarvoor is het nodig dat die dialoog die Wood al noemde, doorgaat en geïntensiveerd wordt. Maar, zoals Wood ook al zegt, dat moet op voet van geestelijke gelijkheid gaan, en ik vrees dat daarvan nog geen sprake is. Het gevoel dat de westerse beschaving superieur is heeft nog te veel gewicht, in ieder geval bij de westerlingen. Maar, gezien de bevolkingstallen, is het even goed mogelijk dat b.v. India en China dankzij hun veel oudere beschaving op den duur gezamenlijk een eigen versie van nieuwe beschaving ontwikkelen, met wèl handhaving van evenwicht met de natuur, en minder eenzijdigheid van de economie. En dan is het niet meer zo relevant wat er met de westerse beschaving verder gebeurt, aanpassen of ondergaan.

Ik ben mij ervan bewust dat ik het nu over zeer lange termijnen heb. Ik spreek over eeuwen alsof het dagen zijn. Het is denkbaar dat zo'n kruisbestuiving tussen Oost en West al aan de gang is, maar zo langzaam gaat dat je het niet merkt. Hoe nieuw is het dat het tijdschrift Prana een heel nummer aan de Vedanta wijdt, dat de secretaris van de Verenigde Naties een Koreaan is, dat een vrijmetselaarsclub z'n gebouw verhuurt aan een soefi-club, dat in Europa ashrams met Indiase goeroe's en Hindoe tempels opereren, dat de werken van Confucius in alle westerse talen gelezen worden? Misschien is het meer voor de hand liggend dat zo'n proces bottom up geschiedt in plaats van top down.

Het zou mij niet verbazen als Europa t.z.t. in de wereld beschouwd zal gaan worden als een soort cultureel fossiel, en misschien nog wel eerder een economisch fossiel. Het is nu spannend om af te wachten wat die oudere en stabielere oosterse culturen met die jonge puberale westerse cultuur zullen gaan doen.

En ik sluit niet uit dat er in het westen ook eigener beweging veranderingen ten goede zullen optreden. Denk b.v. aan het werk van Frank Capra e.a. Uit het werk van Harman heb ik geleerd dat geen enkele economische, politieke of militaire macht het kan opnemen tegen de macht van het denken van de mensen.

Voor mij was de winst uit het boek dat ik de menselijke geschiedenis in een breder perspectief ben gaan zien. Nu zie ik de westerse beschaving als een geweldige prestatie van een (klein) deel van de menselijke soort, maar een deel dat, net als de tovenaarsleerling, geen maat weet te houden. Sterkere en oudere wezenskenmerken van de rest van de wereld zijn nu aan de beurt voor herstel van het evenwicht

 


Voor het onderhoud van deze website zijn wij afhankelijk van donaties. Klik hier voor meer informatie