Login

De Gebroken Kolom

Verzamelpunt voor bouwstukken

Sint-Jansbouwstuk 20 juni 2014

juni 2014

Loge L'Inseparable

Bergen op Zoom 

Auteur: Martin van Schooten, Red\

 

 

Morgen is de langste dag en wij arbeiden op volle middag, dus ben ik voornemens om mijn bouwstuk kort te houden, zodat ik deze in het volle licht, zonder schaduw kan opleveren. Ik heb ervoor gekozen een meer klassiek bouwstuk te gebruiken waarvan ik zeker weet dat velen onder u er voor het eerst kennis van nemen.

We sluiten een werkjaar af, een jaar waarin veel is gebeurd. Positieve maar zeker ook minder positieve dingen. In de samenleving maar ook in de Loge.

Een jaar geleden sloten we ook een werkjaar af, of eigenlijk u sloot een werkjaar af, waarbij Br\ Hans Verzijl mijn taak als Redenaar waarnam. Volgend jaar zal er weer een werkjaar afgesloten worden met halverwege het Winter-Sint-Jan. Zoals de seizoenen elkaar afwisselen volgens een vaste ordening zo heeft ons bouwjaar ook een vast verloop, een ordening. Zelfs onze open loges kennen een vooraf bepaalde ordening waarbij met name de opening en sluiting vaste bakens zijn.

Ons Openings- en Sluitingsrituaal is op het vierde Evangelie geënt. Het is dit Evangelie dat Johannes de Doper weergeeft als de wegbereider van het Licht. Niet van het kosmische licht, maar van het Licht van een andere orde, dat van Liefde, dat in staat is alle dingen te bedekken, te geloven, hopen en aanvaarden, zoals Paulus gezegd heeft. Het tijdelijk kosmische licht wordt door de Evangelist gebruikt als symbool voor dat andere Licht dat onsterfelijk is gelijk het Leven, het Licht der mensen.

Als wij, Vrijmetselaren, de geboortedag van Johannes de Doper vieren en als wij die dag vieren omdat de Doper niet het Licht zelf was maar kwam om van dat Licht te getuigen, dan doen wij er wél aan te beseffen, dat wij die wetenschap over hem bezitten dankzij het vierde Evangelie. Schakelt men de Evangelist uit, dan blijft wel de doper in Johannes over, maar nauwelijks de man die kwam om een getuigenis te geven over het Licht, dat wil zeggen, dát facet dat ons Vrijmetselaren juist zo intrigeert. Voor ons, Vrijmetselaren, zijn Doper en Evangelist nauw met elkaar verbonden, wij zouden zonder de laatste de eerste niet als schutspatroon erkennen.

Getuigen van het Licht deed Johannes de Doper, getuigen van het Licht doet de Vrijmetselaar nadat hij het Licht ontdekt heeft in de duisternis van zijn hart. Zonder inkeer, zonder afzondering, zonder de eenzaamheid op te zoeken in onszelf om het Licht te zoeken dat in onze duisternis schijnt, komen we er niet.

De Vrijmetselaar zal zich rekenschap moeten geven van de onvolmaaktheden van zijn karakter, en hij zal die onvolmaaktheden moeten bestrijden. Een beter mens wordt men niet vanzelf; slechts door voortdurend te arbeiden aan de Ruwe Steen kan de Leerling zijn onvolmaaktheden overwinnen. Let wel: overwinnen, want met het onderdrukken der onvolmaaktheden is men er niet. Daarvoor bezitten wij heden ten dage maatschappelijk- werkers, maar het is de vraag, of de wereld in eerste aanleg om maatschappelijk-wer-kers vraagt. Naar mijn mening niet; de wereld vraagt in eerste plaats om mensen die zichzelf na strijd hebben overwonnen: de wereld vraagt om Vrijmetselaren. De strijd van de Vrijmetselaar is zwaar, zijn arbeid is even zwaar als de arbeid van de middeleeuwse bouwmeesters. Daarom beschermen ook wij ons met een schootsvel en met handschoenen. Maar die strijd, die arbeid, is ons lief, omdat zij ons uiteindelijk in vrijheid verheft.

Als we eenmaal die zelfoverwinning hebben behaald, wat doen we er dan mee?

Wie het gevonden voor zich houdt, doet niet als Johannes, want hij getuigt er niet van en hij handelt niet naar de gevonden waarheid. Van de tot Gezel bevorderde Leerling wordt dan ook verlangd dat hij zal tonen naar buiten - en voor iedereen zichtbaar - dat hij een beter mens is geworden. Niet een ánder mens, maar een beter mens, zegt onze Catechismus terecht, want zouden wij een ander mens worden, dan zouden wij een hoon zijn voor de O\B\d\H\.

Als geweten der Loge steek ik mijn vinger op. Niet om te verwijten of aan te wijzen, maar om aandacht te vragen. Onze vereniging dankt zijn bestaan aan de participatie van haar leden. In ons geval het gezamenlijk arbeiden in de Koninklijke Kunst. Onze vorderingen in het worden van betere mensen en bijdragen aan een betere maatschappij is evenredig aan de arbeid die we zelf aanleveren.

Onze toekomst als vereniging hangt af van de energie en liefde die we geven aan de verenigde broeders. Ook als een onderwerp niet aanspreekt, of broeder inleider ons minder ligt, zullen we er energie in moeten steken om er rendement uit te kunnen halen.

Een beter mens moeten wij worden, een mens die in staat is zijn medemens te begrijpen en te verstaan in zijn noden, een mens die weet heeft van de moeiten en pijnen van zijn Broeder, omdat hij die moeiten en pijnen ook zelf kent. Als wij zover gevorderd zijn als mens, maar vooral ook als Vrijmetselaar, dan zijn we op het punt aangeland waarop wij wellicht in staat zijn een tastbare bijdrage te leveren tot de opdracht die de O\B\d\H\ de mens gegeven heeft, tot de orde waartoe die opdracht oproept, de Broederschap der Mensheid.

Onze voorgangers, de middeleeuwse bouwmeesters, schiepen kathedralen om de O\B\ d\H\ een woonplaats te geven onder de mensen, om het hemelse Jeruzalem af te beelden naar de maat en   de orde van de zuivere verhouding, de geometrie.

Bij het benaderen van zijn Broeder in de Loge hanteert de Vrijmetselaar ook de maat en de orde van de zuivere verhouding en waar dit wederkerig geschiedt van Broeder tot Broeder ontstaat een gemeenschap, een Loge, waarin het voor de O\B\d\H\ mogelijk is te wonen. Zo bouwt de Vrijmetselaar een geestelijke kathedraal in de wereld naar het voorbeeld van zijn Middeleeuwse voorgangers.

Het wezen van de Middeleeuwse gotiek, haar dualisme, is heden ten dage nog precies zo in de Loge aanwezig als destijds het geval was. De gotiek was in haar naturalisme van wereld verwerpende en wereld aanvaardende tendensen steeds met zichzelf in tegenspraak. Dat is bij de moderne Vrijmetselarij evenzo, want ook zij schommelt tussen de arbeid van de Leerling en die van de Gezel, tussen inkeer, inspiratie en technische vaardigheid. Een gotisch bouwwerk maakt de indruk van iets onvoltooids, van iets oneindigs, van iets dat alles is behalve statisch, van iets dat bruisend, levend en hartverwarmend is. Ook zij verkeert in een staat van eeuwig-worden door haar doelstelling: dat zij getuigt van het Licht en de komst van dat Licht voorbereidt.

De Vrijmetselaar is als Johannes de Doper een mens die tot een getuigenis wordt gedrongen, omdat hij het grondstramien van de schepping heeft onderkend. Van die waarheid dient hij te getuigen, opdat door die getuigenis allen weten en geloven zullen. Iedere Vrijmetselaar dient in de Loge, in zijn gezin en in de samenleving te getuigen, naar de Wijsheid en de Kracht die hem gegeven is, van de Wijsheid der ordening en van de Kracht en de Schoonheid van het Licht dat in die ordening werd verankerd.

Het geheim van de Vrijmetselarij bestaat en onze tegenstanders hebben recht ons vanwege dat geheim te benijden. Waar anders, Broeders, vindt men een gemeenschap zoals wij die bezitten. Waar anders kan men zich zo geborgen en veilig weten als in de Loge?

Wij komen niet in de Loge bijeen om elkaar te overtreffen, doch om elkaar te aanvaarden. Zo staan wij in dienst van de O\B\d\H\ en staan wij Hem bij in het verder ordenen van Zijn schepping door te streven naar de Broederschap der mensheid, welke haar weerspiegeling vindt in onze Loges, vooral op Sint Jan, als wij ons getooid hebben met de witte roos.

Onze schutspatroon roept ons ook vandaag weer tot de orde. Dat is verre van overbodig voor u en voor mij. Wij weten allen wanneer en waar wij gestruikeld zijn en wij weten allen wat ons te doen staat. Eenvoudig is het niet om aangericht kwaad te herstellen, maar een alternatief is er voor ons als Vrijmetselaren niet. Wij weten dat we de struikelblokken niet ontlopen en de weerstanden niet ontwijken kunnen. Integendeel, onze Geleider confronteert ons er juist met opzet mee, opdat we vooral niet zouden denken dat we reeds zonder meer voorbereid zijn. Zonder meer voorbereid is niemand van ons, dat was ook Johannes de Doper niet, maar toen hij gereed was met zijn eigen inwijding, heeft hij niet geschroomd de conclusies daaruit te trekken.

Tot orde riep hij op, want eerst dient de weg des Heren te worden rechtgemaakt alvorens de komst van het Licht te verwachten is. Dit is de les die Johannes de Doper de wereld te leren geeft en die maar weinigen hebben begrepen. De meesten willen zich het Licht onmiddellijk toe-eigenen. Geen wonder dat men dan uiteindelijk met lege handen en harten staat.

Staan de Vrijmetselaren ook met legen handen en harten in het leven? Het is mogelijk, maar noodzakelijk is het niet. Meer dan anderen hebben zij een voorbeeld in hun schutspatroon, die in eenvoud getuigde van het Licht waarvan men de komst mag verwachten als de door de Opperste Bouwheer gewilde orde gevestigd is. Om het vestigen van die orde gaat het: in ons eigen hart, in ons gezin en zo mogelijk in de samenleving.

De Loge is daarbij voor ons de leerschool. Hier in ons midden ligt de weg naar het Licht uitgetekend in de taal der Vrijmetselaren: de werktuigen van de bouwmeesters. Door die werktuigen ter hand te nemen tracht de Vrijmetselaar gestalte te geven aan de opdracht die hij zichzelf gesteld heeft: getuigen van de Liefde onder alle omstandigheden, van het Licht dat schijnt in zijn hart en dat hij ontdekte toen, staande in de Broederketen, zijn blinddoek gevallen was.

 

 

 

 

 

 


Voor het onderhoud van deze website zijn wij afhankelijk van donaties. Klik hier voor meer informatie